Stalin's verraad van vluchtelingen aan Hitler

25.08.2021
Illustratie: Wikibooks

In de jaren dertig vluchtten veel communisten en socialisten uit Duitsland en Oostenrijk voor de nazi’s naar de USSR. Maar in een daad van schokkend verraad, leverde de Sovjet-Unie velen van hen uit aan Hitlers Gestapo. [leestijd 11 minuten]

De grondwet van de Sovjet Unie van 1936 gaf ‘het recht op asiel aan buitenlanders die worden vervolgd omdat ze de belangen van de arbeiders verdedigen’. Maar de Sovjetautoriteiten braken deze belofte op schandelijke in hun omgang met honderden Duitse en Oostenrijkse ballingen, door hen vanaf het eind van de jaren dertig uit te leveren aan de nazi’s. Onder de slachtoffers bevonden zich veteranen van de revolutionaire beweging, joodse communisten en militante antifascisten.

Een van de gedeporteerden was de Duitse communist Margarete Buber-Neumann. Haar memoires, gepubliceerd in 1949 in het Engels onder de titel Under Two Dictators: Prisoner of Stalin and Hitler, is waarschijnlijk het bekendste verslag van een van de gedeporteerden. Buber-Neumann beschreef het moment dat Sovjetfunctionarissen haar met negenentwintig anderen overdroegen aan de nazi’s:

Eindelijk kwam de trein tot stilstand en voor de laatste keer hoorden we de bekende kreet: ‘Maak je klaar. Met spullen.’ De coupédeuren gingen van het slot. Een eindje verderop was een station. We konden nog net de naam zien op een seinhuis in de buurt: Brest-Litovsk.

Buber-Neumann herinnerde zich verder hoe een groep mannen van de Sovjet geheime politie - de NKVD, nog steeds vaak aangeduid met de oude naam GPU - de brug overstak naar Duits grondgebied en na een tijdje terugkeerde: ‘Er waren SS-officieren bij hen. De SS-commandant en de GPU-chef groetten elkaar. De Sovjetcommandant begon de namen van de gevangenen voor te lezen:

Een van hen was een joodse emigrant uit Hongarije, een ander was een jonge arbeider uit Dresden, die in 1933 betrokken was geraakt bij een confrontatie met nazi’s, waarbij een nazi was gedood. Hij was erin geslaagd naar Sovjet-Rusland te ontkomen. Tijdens het proces hadden de anderen hem alle schuld in de schoenen geschoven, omdat ze wisten, of liever, dachten, dat hij veilig was in de Sovjet-Unie. Zijn lot stond vast.

Op zoek naar een toevluchtsoord voor Hitler

Buber-Neumann, geboren in 1901, was in 1921 lid geworden van de communistische jeugdbeweging in Duitsland en vijf jaar later van de partij, de KPD. Vanaf 1928 werkte ze voor het tijdschrift van de Communistische Internationale, Inprekorr. Daar ontmoette ze Heinz Neumann, een lid van de KPD leiding, en de twee werden partners. Nadat de nazi’s de macht hadden gegrepen in Berlijn, zochten ze beiden hun toevlucht in de Sovjet-Unie.

Maar de zuiveringen van Josef Stalin aan het eind van de jaren dertig maakten de USSR levensgevaarlijk voor Duitse communisten. De NKVD arresteerde Heinz Neumann op grond van een verzonnen beschuldiging van spionage en executeerde hem op 26 november 1937. Ze namen ook Margarete Buber-Neumann gevangen en deporteerden haar uiteindelijk in 1940 naar Nazi-Duitsland.

Verschillende groepen Duitse burgers verbleven in die tijd in de Sovjet-Unie. Sommigen waren er gekomen voor werk. Velen van hen hadden communistische sympathieën, maar waren niet noodzakelijk partijlid. Er waren ook politieke bannelingen, communisten en andere anti-fascisten, waaronder Oostenrijkers die officieel Duits staatsburger waren geworden na de nazi-annexatie van Oostenrijk in 1938. Anderen hadden het Sovjet staatsburgerschap verworven.

Informatie over het lot van deze mensen is verspreid over verschillende archieven, waarvan sommige nog steeds ontoegankelijk zijn voor onderzoekers. Het is dus moeilijk met zekerheid te zeggen hoeveel mensen hetzelfde lot hebben ondergaan als Buber-Neumann. Een voorzichtige schatting is dat meer dan zeshonderd mensen werden gedeporteerd of het land uitgezet.

Het lot van Franz Koritschoner

Onder de ballingen die naar nazi-Duitsland werden gestuurd bevonden zich veteranen van de communistische beweging, zoals Franz Koritschoner. Deze jonge joodse socialist, geboren in 1892 in Oostenrijk-Hongarije, had zich na 1914 verzet tegen steun aan de oorlogsinspanningen van de sociaaldemocratische partijen. In 1916 ontmoette Koritschoner Vladimir Lenin tijdens de Kienthal Conferentie, een bijeenkomst van revolutionaire anti-oorlogs socialisten.

Koritschoner speelde een leidende rol in de Oostenrijks-Hongaarse stakingen en protesten van januari 1918. In datzelfde jaar sloot hij zich aan bij de pas opgerichte Communistische Partij van Oostenrijk (KPÖ). Koritschoner was redacteur van het tijdschrift van de KPÖ en vertaalde werken van Lenin, die hem aansprak als ‘dierbare vriend’. Van 1918 tot 1924 was Koritschoner lid van het centraal comité van de KPÖ.

Aan het eind van de jaren twintig ging hij naar de Sovjet-Unie om te werken voor de Rode Internationale van de Arbeidersvakbonden (Profintern), en in 1930 sloot hij zich aan bij de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. De NKVD arresteerde Koritschoner in 1936 en beschuldigde hem ervan een contrarevolutionair te zijn. De Sovjetautoriteiten besloten hem in april 1941 aan de Gestapo uit te leveren.

We weten iets over de laatste weken van Koritschoner’s leven omdat hij een cel deelde met Hans Landauer, een lid van de Internationale Brigades die de oorlog overleefde. Volgens Landauer was Koritschoner ernstig verzwakt en droeg hij littekens van martelingen die hij had ondergaan onder handen van de NKVD en de Gestapo. Hij had geen tanden meer: hij vertelde Landauer dat hij ze verloren had door scheurbuik in een werkkamp in het verre noorden van de Sovjet Unie. Op 7 juni 1941 stuurden de nazi’s Koritschoner naar Auschwitz, waar hij twee dagen later werd vermoord.

​​​​​​​Verraad van de Schutzbündler

De zuiveringen die onder het bewind van Stalin de Sovjet-Unie teisterden, troffen steeds bredere lagen van de bevolking. Een groep die het slachtoffer werd, waren de voormalige leden van de Oostenrijkse Schutzbund, of Republikeinse Verdedigingsliga, de paramilitaire vleugel van de Oostenrijkse Sociaal-Democratische Partij.

Op 4 maart 1933 ontbond de Oostenrijkse kanselier Engelbert Dollfuß het parlement en kondigde een fascistisch regime af. In februari 1934 namen leden van de Schutzbund de wapens op tegen het nieuwe systeem, maar ze waren geen partij voor het zware wapentuig van het regeringsleger. Ongeveer tweehonderd leden verloren het leven in de gevechten of werden standrechtelijk geëxecuteerd.

De communistische beweging roemde het verzet van de Schutzbund en de Sovjet-Unie bood hen asiel aan. Veel leden van de Schutzbund sloten zich - teleurgesteld door het gebrek aan strijdbaarheid dat de sociaaldemocratie tegenover het fascisme aan de dag legde - aan bij de communistische partij. Ongeveer 750 Schutzbündler gingen in ballingschap in de USSR.

Slechts een paar jaar later werden ze door hun sociaaldemocratische verleden echter het doelwit van vervolging. Terwijl ongeveer de helft de Sovjet-Unie verliet, werden de meeste van de overgebleven Schutzbündler het slachtoffer van de zuiveringen. De NKVD deporteerde velen van hen die overleefden naar nazi-Duitsland.

Een groep van vijfentwintig gedeporteerden die in december 1939 werd overgebracht omvatte tien Schutzbündler. Een van hen was Georg Bogner. Hij had tijdens de opstand in februari 1934 gevochten in zijn geboortestad Attnang-Puchheim voordat hij naar de Sovjet-Unie vluchtte. De Sovjet geheime politie arresteerde Bogner in 1938. Eind december 1939 werd hij in Warschau gevangen gehouden door de Duitse inlichtingendienst, de Sicherheitsdienst. Wat er daarna met hem gebeurde is onbeken

​​​​​​​Vóór het Pact

In augustus 1939 tekende de Sovjet-Unie een niet-aanvalsverdrag met nazi-Duitsland. Een week later viel de Wehrmacht Polen binnen. Kort daarna vielen Sovjettroepen het land vanuit het oosten aan. Nog voordat de gevechten voorbij waren, hadden de twee regeringen in september van dat jaar overeenstemming bereikt over het ‘Duits-Sovjet grens- en vriendschapsverdrag’.

De overeenkomst ging verder dan een wederzijdse belofte van een niet-aanvalsverdrag: de partijen beloofden geen coalitie te steunen die tegen de ander gericht was en informatie ‘betreffende wederzijdse belangen’ uit te wisselen . Er werden ook geheime protocollen aan de verdragen toegevoegd waarbij Moskou en Berlijn het grondgebied van de Baltische staten en Polen onder elkaar verdeelden. De Sovjet-Unie gaf het bestaan van deze protocollen pas in 1989 officieel toe.

Veel mensen beschouwden de deportatie van antifascisten naar nazi-Duitsland als iets dat verband hield met het vriendschapsverdrag. Margarete Buber-Neumann zag ze in dat licht, als ‘Stalin’s geschenk aan Hitler’ en andere schrijvers hebben dezelfde metafoor gebruikt. Het verband tussen de deportaties en het pact blijkt echter minder direct te zijn geweest dan vermoed.

De Sovjet-Unie deporteerde al anti-fascistische gevangenen naar nazi-Duitsland voordat het pact werd ondertekend. In 1937-38 werden een zestigtal ballingen, waaronder Joden en communisten, gedeporteerd. Onder de gedeporteerden bevond zich een jonge man, Ernst Fabisch.

Geboren in 1910 in Breslau in een Joodse familie, was Fabisch lid geworden van de Communistische Partij van Duitsland (Oppositie), of KPO, toen hij negentien was. De KPO werd geleid door Heinrich Brandler en August Thalheimer en was een communistische stroming die deel uitmaakte van de zogenaamde ‘Rechtse Oppositie’ in de beweging, geassocieerd met Sovjet politici zoals Nikolai Boekharin, Stalin’s laatste grote rivaal. Ze verwierp de sektarische vijandigheid van de KPD tegenover sociaaldemocraten en andere socialisten en pleitte voor eenheid tegen het fascisme.

Na de arrestaties van vooraanstaande KPO-leden door de nazi’s in 1933, sloot Fabisch zich aan bij de nieuwe, ondergrondse leiding, van wie velen in 1934 op hun beurt werden gearresteerd. Hij ontsnapte naar de Sovjet-Unie, maar kwam al snel weer in gevaar. De NKVD arresteerde Fabisch in 1937 en deporteerde hem het jaar daarop naar Duitsland. De Gestapo nam Fabisch onmiddellijk in hechtenis en hij werd in 1943 in Auschwitz vermoord.

​​​​​​​Patronen van medeplichtigheid

Omdat er in die tijd geen directe grens was tussen de Sovjet-Unie en Nazi-Duitsland, coördineerden de twee regimes het reizen van gevangenen tussen de twee staten. Sovjet ambtenaren gaven hen pasjes die alleen geldig waren voor reizen naar Duitsland en stelden hun nazi collega’s op de hoogte van de namen en achtergronden van de gedeporteerden. Dergelijke dossiers, die zich nu in de archieven van de Duitse ambassade en het Ministerie van Buitenlandse Zaken bevinden, zijn een belangrijke bron van informatie over de slachtoffers.

De deportaties begonnen niet met de ondertekening van het Hitler-Stalin Pact en het opdelen van Polen, en het lot van deze gevangenen lijkt geen deel te hebben uitgemaakt van de besprekingen tussen Moskou en Berlijn. Vanaf het inwerking treden van het vriendschapsverdrag nam het aantal deportaties echter wel toe.

De meeste gedeporteerden in deze periode waren politieke bannelingen, de groep waartoe de meeste Duitsers en Oostenrijkers die tot dan toe in de Sovjet-Unie waren gebleven behoorden. Soms verzochten de Duitse autoriteiten om de deportatie van bepaalde personen. Op andere momenten leken de nazi’s echter niet erg geïnteresseerd in de gedeporteerden.

Documenten van de Duitse ambassade die de Oostenrijkse historicus Hans Schafranek aanhaalt in zijn boek Zwischen NKWD und Gestapo illustreren dit laatste punt. In de meeste gevallen vonden de deportaties plaats zonder enig wederkerig gebaar van de nazi’s om gevangenen over te dragen die door de Sovjetautoriteiten werden gezocht. De deportaties gingen door tot in mei 1941, enkele weken voor operatie Barbarossa (de aanval van Duitsland op de Sovjet Unie), toen de betrekkingen tussen de twee staten al verslechterden.

De impuls achter de deportaties kwam in de eerste plaats vanuit het Sovjetsysteem zelf. Stalin’s zuiveringen waren begonnen als een aanval op een welomschreven groep mensen: communisten die werden beschouwd als potentiële aanhangers van de oppositie. Na verloop van tijd nam als gevolg van het gebruik van martelingen en andere vormen van druk om verdachten te dwingen namen te noemen, in combinatie met een algemene sfeer van paranoia en wantrouwen en de bureaucratische noodzaak van arrestatiequota, het aantal doelwitten onverbiddelijk toe.

​​​​​​​Fantasieën en verzinsels

De beschuldigingen tegen vermeende verraders en spionnen werden steeds bizarder. Een voormalige leider van de paramilitaire vleugel van de KPD, de Roter Frontkämpferbund, zou een terroristische ‘Trotskistisch-fascistische’ organisatie hebben georganiseerd. Sovjetfunctionarissen beschuldigden zelfs de kinderen van gevluchte communisten ervan een ondergrondse Hitlerjeugd te hebben gevormd.

In de regel werden buitenlandse communisten zoals Heinz Neumann ervan beschuldigd in dienst te zijn van hun ‘thuislanden’. Stalin ontbond de Poolse Communistische Partij in 1938 en liet de leden executeren of naar de Goelag sturen. Zij werden ervan beschuldigd tegelijkertijd agenten van de regering in Warschau en van Leon Trotski te zijn. Zoals de historicus Hermann Weber aangaf, stierven er van de drieënveertig belangrijkste leiders van de KPD meer in gevangenschap van de Sovjet geheime politie dan er door de nazi’s werden gedood. Honderden Duitse bannelingen werden onmiddellijk geëxecuteerd, terwijl vele anderen in gevangenkampen stierven.

Hugo Eberlein, geboren in 1887, was een van de oprichters van de KPD. Hij had Rosa Luxemburg vervangen als vertegenwoordiger van de partij op het oprichtingscongres van de Communistische Internationale in 1919. Eberlein arriveerde in de Sovjet Unie in 1936, maar werd het jaar daarop gearresteerd omdat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan ’terroristische activiteiten’ in dienst van de Nazi’s.

Een brief aan zijn vrouw die later werd teruggevonden in de NKVD archieven beschreef zijn beproevingen. Hij werd gedwongen om constant te staan terwijl hij ‘tien dagen en nachten zonder pauze’ werd ondervraagd, waarbij hem de mogelijkheid werd ontzegd om te slapen en hij nauwelijks voedsel kreeg. De bewakers sloegen Eberlein meedogenloos: ‘Op mijn rug was geen huid meer over, alleen het naakte vlees. Wekenlang kon ik met één oor niet horen en één oog was wekenlang blind.’ De NKVD doodde hem uiteindelijk op 16 oktober 194

​​​​​​​Slachtoffers van een Heksenjacht

Buber-Neumann, Fabisch, Bogner, Eberlein en vele anderen waren het slachtoffer van een heksenjacht. Hun uiteindelijke lot hing af van willekeurige bureaucratische beslissingen. In honderden gevallen kozen de Sovjetautoriteiten ervoor het lot van de slachtoffers in handen van de nazis te leggen in plaats van zelf met hen af te rekenen.

De nazi’s stuurden Margarete Buber-Neumann naar het concentratiekamp voor vrouwen Ravensbrück. In april 1945, toen het nazi-regime ineenstortte, werd zij vrijgelaten. Bang dat ze opnieuw zou worden gearresteerd door Sovjetfunctionarissen toen het Rode Leger oprukte, liep Buber-Neumann 150 kilometer naar het westen, waar de Amerikaanse troepen de belangrijkste bezettingsmacht waren.

Buber-Neumann stierf in 1989, een paar weken voor de val van de Berlijnse Muur. Ze was een rechts-conservatief geworden, en beargumenteerde dat haar ervaringen aantoonden dat fascisme en communisme ideologieën waren met een vergelijkbare criminaliteit. Als socialisten nu dergelijke argumenten willen weerleggen, kunnen we deze beschamende geschiedenis niet negeren. Ons eigen begrip van socialisme moet zijn beloften nakomen en menselijke waardigheid centraal stellen. We zijn de slachtoffers niets minder verschuldigd.

Dit artikel stond op Jacobin. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.