6000 gulden maatregel

Ter voorkoming van misverstanden, met de 59 procent van de vrouwen die wel werkt staat Nederland in de Europese Unie op een gedeelde vijfde plaats, samen met Oostenrijk. (Ter vergelijking: van de mannen werkt 80 procent, cijfers 1998; emancipatiemonitor 2000 Sociaal Cultureel Planbureau.) De arbeidsdeelname van vrouwen in Nederland is anno 2001 relatief hoog. Dat dit wel eens anders lijkt, heeft te maken met het feit dat Nederland koploper is met deeltijdwerken. In 1998 werkte ruim 38 procent van de Nederlandse werkenden in deeltijd en dat is ruim tweemaal zo hoog als het EU-gemiddelde van 17 procent. Zoals bekend werken vooral vrouwen in deeltijd. In geen van de andere landen in de EU is het aandeel vrouwen dat in deeltijd werkt zo hoog als in Nederland, waar dat aandeel 67,5 procent is.

Onbenut arbeidsaanbod
Het onbenutte arbeidsaanbod, dat bestaat uit vrouwen zonder werkkring die wel bereid zijn een baan te aanvaarden, lag in 1998 volgens het CBS op 581 duizend. Hieronder bevinden zich naar schatting 244 duizend herintreedsters. De regering wil dit grote potentieel met stimulerende maatregelen naar de arbeidsmarkt lokken. De vraag is alleen wat vrouwen op dit moment weerhoudt om banen te zoeken en te vinden.
Om te beginnen is de ongelijke verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen van belang. Deze ongelijkheid neemt af. Vrouwen besteden nu gemiddeld 37,7 uur per week aan onbetaalde zorg, tegenover mannen 21 uur (cijfers uit 1995, emancipatiemonitor 2000). In 1975 was dat nog 42,6 uur voor vrouwen en 17,4 uur voor mannen. De afname van de besteding van tijd door vrouwen aan onbetaalde arbeid heeft zich in alle types huishouden voorgedaan. In alle huishoudens is ook sprake van een afname van de totale tijd die wordt besteed aan huishoudelijk werk. Maar in gezinnen met jonge kinderen wordt die afname tenietgedaan door een flinke toename van de tijd die besteed wordt aan kinderen. De aanwezigheid van kinderen blijkt een belemmerende factor bij de gelijkere verdeling van de taken binnenshuis.
Tegelijkertijd besteden vrouwen in alle typen huishouden (met en zonder partner, met en zonder kinderen) in de periode 1975 tot 1995 flink meer tijd aan betaalde arbeid. Er is een duidelijk verschil naar opleidingsniveau te zien. Na de geboorte van het eerste kind blijft de helft van de laagopgeleiden vrouwen betaald werken, tegenover negen van de tien hoogopgeleide vrouwen. De meeste vrouwen gaan overigens minder uren werken na de geboorte van hun eerste kind, ongeacht hun opleiding.

Beroepssegregatie
Een deel van de vrouwen die stoppen met betaald werken, keert na een aantal jaren terug op de arbeidsmarkt. Nadat het jongste kind 15 jaar is geworden gaat gemiddeld de helft weer in een betaalde baan aan de slag. (Hier speelt het opleidingsniveau overigens nauwelijks een rol.)
De eerste vraag is dus of vrouwen met jonge kinderen willen werken als de kinderen elders opgevangen kunnen worden. In 1998 werden 182.000 kinderen opgevangen in kinderdagverblijven, bij gastouders of buitenschoolse opvang. Dit aantal is drie en een half maal zo groot als in 1990. Vooral de plaatsen in gastouderschap en buitenschoolse opvang stegen sterk. Over de omvang van wachtlijsten zijn op dit moment geen betrouwbare gegevens beschikbaar. In een onderzoek onder herintredende vrouwen door de FNV gaf slechts 2,6 procent betaalbare kinderopvang op als voorwaarde voor een nieuwe baan. Veel belangrijker blijken de mogelijkheid van een deeltijdbaan, een baan in de buurt, en het kunnen werken op tijdstippen dat de kinderen op school zitten.
Wat de afgelopen jaren niet veranderd is of zelfs verslechterd, is de beroepensegregatie. Deze segregatie betekent dat juist beroepen waar veel vrouwen werken slechter betaald worden. Het zijn daarnaast vaak beroepen met slechte carrièreperspectieven en met een hoger risico op arbeidsongeschiktheid. En juist gezondheidsredenen en ontslag of einde contract zijn, naast de geboorte van een kind, de voornaamste oorzaken voor vrouwen om te stoppen met werken:. Oorzaken die steeds belangrijker worden. Vrouwen stopten in de periode 1995 en 2000 beduidend minder vaak, met werken vanwege het krijgen van een kind, dan in voorgaande jaren. Het aflopen van het contract, ontslag, en gezondheidsredenen worden in deze groep beduidend vaker als reden van stoppen met werken gegeven.

Botsende opvattingen
Ook zijn de opvattingen over de verdeling van arbeid en zorg tussen vrouwen en mannen veranderd. Minder dan een kwart van de vrouwen vindt nog maar dat een vrouw geschikter is om kinderen op te voeden dan een man. (Nog steeds vindt bijna de helft van de mannen dit.) Bijna acht op de tien mensen, met weinig verschil tussen mannen en vrouwen, vindt dat mannen en vrouwen huishoudelijke arbeid gelijk moeten verdelen. En rond de zestig procent van de Nederlanders vindt dat mannen en vrouwen betaald werk gelijk moeten verdelen. Dat zijn echter opvattingen in het algemeen, en dat hoeft niet te betekenen dat vrouwen en mannen ook in hun eigen situatie thuis een voorkeur hebben voor een gelijke verdeling van betaalde arbeid. Een meerderheid van zes op de tien vrouwen kiest voor een deeltijdbaan van beide partners, maar bij de mannen heeft minder dan een derde die voorkeur. Negenendertig procent van de mannen verkiest een situatie waarin beide partners voltijds werken, wat slechts vier procent van de vrouwen aantrekkelijk vindt. In al deze individuele opvattingen zit dus een spanning binnen veel relaties.

Verkeerd besteed
Samenvattend zijn de belangrijkste belemmeringen voor vrouwen om betaalde arbeid te verrichten: het ontbreken van deeltijdbanen; te weinig banen in de buurt van hun huis; niet kunnen werken op tijden dat de kinderen op school zitten; te weinig vaste contracten voor onbepaalde tijd; en slechte arbeidsomstandigheden. Hoe lager de opleiding hoe minder vrouwen kiezen voor herintreding, want voor hen zijn alleen minder aantrekkelijk banen te krijgen. In de praktijk spelen de verschillende opvattingen over de verdeling van betaalde arbeid tussen de partners binnen relaties steeds minder een rol.
De regering stelt in de nieuwe Miljoenennota voor om vrouwen te stimuleren om betaald werk te gaan doen met een financiële prikkel van 6000 gulden belastingaftrek over drie jaar verdeeld. Uit onderzoek onder herintreedsters blijkt echter dat het probleem niet is dat zij niet willen solliciteren, maar dat een aantal voorwaarden ontbreken om te kunnen en willen solliciteren. De FNV doet zinvolle aanbevelingen om het potentieel van 244 duizend herintreedsters wel succesvol aan een baan te helpen: het creëren van kleine deeltijdbanen; meer zeggenschap over de arbeidstijden; meer mogelijkheden tot opleiding; en het voorkomen van een (definitieve) uitstroom. Het zou effectiever zijn als de regering daar geld in zou steken, in plaats van financiële prikkels te geven aan vrouwen die wel wíllen solliciteren, maar vervolgens niet de banen kunnen vinden die voldoen aan hun voorwaarden.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.