Met haar boek over zwangerschap, geboortezorg en autonomie heeft filosoof en onderzoeker Rodante van der Waal een debat aangezwengeld dat volgens haar veel te lang onderbelicht is gebleven. Waar discussies over reproductieve rechten vaak draaien om abortus, richt zij de aandacht ook op zwangerschap, bevallen en de maatschappelijke positie van zwangeren.
Wat wilde je met dit boek bereiken?
Mijn uitgangspunt was eigenlijk heel eenvoudig. Ik heb wetenschappelijk onderzoek gedaan en daar een proefschrift over geschreven, maar ik wilde niet dat die kennis alleen binnen de universiteit zou blijven circuleren. Het gaat over fundamentele problemen in de geboortezorg en over de manier waarop wij als samenleving naar zwangeren kijken. Dat zijn onderwerpen die mensen direct raken.
Met dit boek wilde ik die discussie terugbrengen naar het werkveld, naar zwangeren zelf, naar ouders en zorgverleners. Inhoudelijk is het vooral een hernieuwd pleidooi voor autonomie en zelfbeschikking tijdens de zwangerschap. De leus ‘baas in eigen buik’ wordt meestal gebruikt aan het begin van de zwangerschap, in discussies over abortus. Maar juist aan het einde van de zwangerschap verdwijnt die autonomie vaak naar de achtergrond, terwijl veel meer mensen bevallen dan een abortus ondergaan. Toch zijn er relatief weinig mensen die zich inzetten voor dezelfde rechten tijdens de bevalling.
In je boek bespreek je ook de geschiedenis van de leus ‘baas in eigen buik’. Heeft de nadruk op individuele verantwoordelijkheid die leus uitgehold?
Dat risico bestaat. ‘Baas zijn over je eigen lichaam’ klinkt al snel als een liberale notie van individuele keuzevrijheid. Maar oorspronkelijk is het juist een socialistische leus. De Dolle Mina’s kwamen voort uit socialistische bewegingen. Ik probeer die leus daarom opnieuw te begrijpen vanuit een socialistisch of anarchistisch perspectief. Je kunt je lichaam namelijk nooit volledig los van anderen begrijpen. Zelfbeschikking ontstaat in zorgzame relaties en binnen een gemeenschap.
Een probleem van veel hedendaags feminisme en abortusactivisme is dat de nadruk vaak uitsluitend ligt op keuzevrijheid. Natuurlijk is het belangrijk dat mensen keuzes kunnen maken, maar een keuze bestaat nooit in een vacuüm. Het gaat ook over de omstandigheden waarin iemand leeft. Daarom moeten we meer spreken over zorg, over vruchtbaarheid, over hoe mensen de ruimte krijgen om een eigen relatie met hun lichaam te ontwikkelen.
Is er eigenlijk wel sprake van echte keuzevrijheid wanneer mensen kampen met armoede, woningnood of onzeker werk?
Nee. Formeel kun je misschien een keuze maken, maar de mogelijkheid om die keuze daadwerkelijk vorm te geven hangt af van sociale omstandigheden. Vanuit een klassen- of intersectioneel perspectief zou het veel meer moeten gaan over het creëren van omstandigheden waarin mensen daadwerkelijk vrijheid hebben. Nu zien we dat toegang tot reproductieve zorg sterk afhankelijk is van waar iemand woont, hoeveel geld iemand heeft of hoe goed iemand de taal spreekt.
Dat geldt voor abortus, maar ook voor geboortezorg. Mensen uit armere milieus, mensen met een migratieachtergrond of mensen die minder goed Nederlands spreken lopen meer risico op slechte behandeling, racisme of obstetrisch geweld. Obstetrisch geweld is een vorm van gendergerelateerd en institutioneel geweld die plaatsvindt binnen de verloskundige en obstetrische zorg tijdens zwangerschap, bevalling of kraamtijd. Het gaat niet alleen om individuele fouten van zorgverleners, maar om geweld dat voortkomt uit de manier waarop het zorgsysteem is georganiseerd. Dan kun je niet serieus volhouden dat iedereen dezelfde keuzevrijheid heeft.
Kunnen abortusrechten en geboorterechten voldoende beschermd worden binnen een marktgestuurd zorgsysteem?
Uiteindelijk niet. Reproductieve rechtvaardigheid kan alleen volledig bestaan in een samenleving die fundamenteel anders is ingericht. Tegelijkertijd geloof ik niet dat we moeten wachten op een grote revolutie voordat we iets doen. Ik ben geïnspireerd door abolitionistische en anarchistische benaderingen die proberen om nu al alternatieve vormen van zorg op te bouwen. Kleine zorginitiatieven kunnen reproductieve rechtvaardigheid organiseren in de praktijk. De organisatie daarvan is op zichzelf al een vorm van activisme.
Zorg is altijd direct. Het gaat over mensen, relaties en gemeenschappen. Daarom denk ik dat deze strategie juist binnen de zorg heel effectief kan zijn. Maar uiteindelijk blijft gelden dat echte reproductieve rechtvaardigheid alleen mogelijk is als ook de bredere maatschappelijke verhoudingen veranderen.
Zie je een verband tussen de opkomst van radicaalrechts en aanvallen op abortusrechten wereldwijd?
Absoluut. Staten hebben historisch altijd geprobeerd reproductie te controleren. Dat geldt niet alleen voor rechtse regeringen; ook centrumlinkse regeringen doen dat. Juist daarom worden zelfgeorganiseerde zorgnetwerken steeds belangrijker. Kijk naar Polen. Sinds abortus daar vrijwel volledig gecriminaliseerd is, zijn het niet de Europese instellingen die toegang tot abortus waarborgen. Dat gebeurt door ondergrondse abortusnetwerken.
Hetzelfde zie je op andere terreinen. In veel landen zijn het alternatieve vroedvrouwen en onafhankelijke zorgverleners die het recht op een thuisbevalling overeind houden. In tijden van oprukkend extreemrechts zijn zulke netwerken essentieel.
Welke maatregelen zou een linkse regering morgen kunnen nemen?
Het belangrijkste is om medische gatekeeping zoveel mogelijk af te bouwen. Abortus moet volledig uit het Wetboek van Strafrecht verdwijnen. Daarnaast zouden abortuspillen vrij verkrijgbaar moeten zijn, bijvoorbeeld via de apotheek. We blijven uitgaan van een fundamenteel wantrouwen tegenover wat mensen zelf kunnen, terwijl mensen heel goed in staat zijn om zelf met een abortuspil om te gaan.
Ook anticonceptie zou volledig vergoed moeten worden. Dat geldt eveneens voor menstruatieproducten. En als het gaat over geboortezorg moeten we kijken naar de arbeidsomstandigheden van zorgverleners. Verloskundigen en andere geboortezorgwerkers verdienen relatief weinig en werken onder enorme druk. Dat heeft direct invloed op de kwaliteit van zorg.
Kunnen we reproductieve rechtvaardigheid daarom zien als een antikapitalistische strijd?
Ja, zonder meer. Het kapitalisme is afhankelijk van controle over vruchtbaarheid en van grote hoeveelheden onbetaalde zorgarbeid. Silvia Federici heeft dat prachtig laten zien in Caliban and the Witch. Reproductieve rechtvaardigheid kan uiteindelijk alleen bestaan binnen een antikapitalistische samenleving.
Maar het is niet alleen een doel. Het is ook een strategie. Door te strijden voor reproductieve rechtvaardigheid bouw je tegelijkertijd aan een samenleving die antikapitalistisch is.
Welke rol zouden socialisten hierin moeten spelen?
Mijn indruk is dat socialistische organisaties dit onderwerp vaak overlaten aan feministen binnen de beweging of aan feministische organisaties daarbuiten. Dat is jammer. Als je kijkt naar wie vandaag de dag publiekelijk opkomt voor abortusrechten, dan zijn dat vaak mensen uit centrumlinkse hoek. Daardoor ontbreekt een uitgesproken socialistisch geluid.
Tegelijkertijd zie je dat de meest radicale stemmen rond zwangerschap en bevallen soms uit heel andere hoeken komen, bijvoorbeeld van alternatieve of ‘hippie’-influencers. Dat is opvallend. Want er vinden wel degelijk schendingen van rechten plaats tijdens bevallingen. Waarom horen we daar vanuit radicaal links zo weinig over? Ik zou graag zien dat socialistische bewegingen dit onderwerp veel nadrukkelijker oppakken.
Wat zouden socialisten concreet kunnen doen?
Organiseren, net zoals socialisten vroeger mensen organiseerden op de werkvloer. Bij verloskundigen zie ik bijvoorbeeld veel jonge mensen met linkse overtuigingen, maar vaak ontbreekt de tijd of de ruimte om die politiek verder te ontwikkelen. Leesgroepen kunnen daarbij helpen.
Veel verloskundigen weten verrassend weinig over de geschiedenis van hun eigen beroep. Ze kennen de geschiedenis van onderdrukking en marginalisering van vroedvrouwen vaak nauwelijks. Zonder historisch bewustzijn ontstaat er ook geen klassenbewustzijn. Dus organiseer leesgroepen, bouw netwerken op en zorg dat mensen hun eigen geschiedenis leren kennen.
Wat kunnen socialisten leren van de traditie van reproductieve rechtvaardigheid, die voortkomt uit zwarte feministische bewegingen?
Vooral het belang van intersectionaliteit. Ik zie de laatste tijd steeds vaker kritiek op intersectionaliteit vanuit delen van links. Dat vind ik onverstandig. Natuurlijk moet politiek niet uitsluitend over identiteit gaan, maar een revolutionaire beweging moet wel begrijpen hoe verschillende vormen van onderdrukking samenkomen.
Zonder intersectionele lens is het makkelijk om te missen dat de strijd voor reproductieve rechtvaardigheid niet alleen gaat over abortus, maar ook om het recht om wél kinderen te krijgen, gezien de lange geschiedenis van gedwongen baarmoederverwijdering en gedwongen abortus en anticonceptie van mensen van kleur. Datzelfde geldt voor obstetrisch geweld: lange tijd is dat vanuit een witte feministische positie geanalyseerd. Hierdoor werd het racisme, dat fundamenteel samenhangt met obstetrisch geweld, over het hoofd gezien. Een volledig begrip van rechtvaardigheid ontstaat alleen wanneer je vanuit meerdere perspectieven naar onderdrukking kijkt.
Tot slot: wat hoop je dat mensen meenemen uit je boek?
Ik hoop vooral dat reproductieve rechtvaardigheid weer wordt gezien als een radicaal politiek onderwerp. Abortusrechten, geboortezorg, thuisbevallingen, de positie van vroedvrouwen, toegang tot anticonceptie – dat zijn geen nichekwesties. Het zijn fundamentele vragen over autonomie, zorg en macht.
En ik hoop dat links dat onderwerp weer meer naar zich toe trekt. Want de strijd om zeggenschap over ons reproductieve leven is nooit alleen een feministische strijd geweest. Het is ook een socialistische strijd.
Baas in eigen buik – een essay over reproductieve rechtvaardigheid
door Rodante van der Waal
Nijgh & van Ditmar, 272 pagina’s
Overgenomen van Socialisme.nu.
Reactie toevoegen