Op de eerste plaats moet gezegd worden dat de groei van de wereldbevolking vertraagt, en zelfs sneller dan voorzien. Tussen 1960 en 2000 gingen we van 3 naar 6 miljard. De groei was zo’n twee procent tussen 1970 en 1980 en volgens de UNO zal dit iets minder dan een half procent bedragen tussen 2025 en 2050. Van de huidige 6 miljard mensen leeft 38 procent in slechts 2 landen (India met 1 miljard en China met 1,267 miljard inwoners). Azië telt de helft van de wereldbevolking, maar de andere delen van het Zuiden zijn betrekkelijk minder bevolkt (Zwart-Afrika, Latijns Amerika, Noord-Afrika en het Midden-Oosten). Men voorspelt een jaarlijkse groei van 1,3 procent op wereldvlak met een sterk verschil tussen Noord (0,3 procent) en Zuid (1,6 procent). Vandaag vertegenwoordigt de Noordelijke bevolking nog 18 procent van de wereldbevolking. Dit zou kunnen terugvallen op 9,3 procent in 2150.
Vruchtbaarheid en levenspijl
Maar demografie is een moeilijke wetenschap en voorspellingen op dit vlak zijn een moeilijke kunst (1). De meest realistische hypothese stelt dat we in 2050 met zo'n 9 miljard zullen zijn Er zijn een tweetal parameters die ons hierbij kunnen helpen: het aantal kinderen per vrouw (vruchtbaarheid) en het aantal vrouwen.
De daling van de vruchtbaarheid is een realiteit. Op het eind van de jaren ‘60 had men gemiddeld 5 kinderen, vandaag de dag is dit 2,7 kinderen. Maar zeer arme landen (vooral in Afrika) blijven een hoge vruchtbaarheid behouden: nu gemiddeld 6,5 kinderen per vrouw tegenover 6,7 in 1975. Het gaat om landen als Oeganda, Mozambique, Ethiopië, Angola, Mali, Tsjaad,
De vruchtbaarheid daalt echter als het levenspeil stijgt. Als het Bruto Binnenlands Product de 5000 dollar per hoofd bereikt, overschrijdt de vruchtbaarheid bijna nooit de drie kinderen per vrouw. De band tussen levenspeil en vruchtbaarheid is echter niet mechanisch. Er zijn voorbeelden (zoals dat van de Indische staat Kerala) aan te halen met een daling van de vruchtbaarheid, die relatief onafhankelijk van de vooruitgang van het levenspeil geschiedt. De voornaamste reden is de toegang tot contraceptie. Bovendien brengt de daling van de vruchtbaarheid niet onmiddellijk een vertraging van de demografische groei met zich mee. Het is pas vanaf nu dat de groei van de wereldbevolking stelselmatig gaat afnemen, als gevolg van de daling van de vruchtbaarheid. In 2025 zou men 2,2 kinderen per vrouw tellen.
Moraal van het verhaal: alles is min of meer geregeld. Het debat over de bevolkingscontrole ligt voor een groot gedeelte achter ons, althans op wereldvlak. De vertraging van de bevolking is de komende jaren een kwestie die zich op regionaal vlak stelt en voornamelijk Afrika behelst.
Barbaarse oplossingen
En hier zien de neo-malthusianen (Ehrlich, Abernethy, Hardin) hun kans schoon om hun aloude theorie uit de kast te halen: ‘een te grote demografische groei is een hinderpaal voor ontwikkeling want er zijn te weinig (landbouw)middelen om iedereen te voeden’. Achter dit discours over de bevolking moet men de klasseninhoud ontwarren; de neo-malthusianen betreuren het dat mensen met een hoog IQ minder kinderen hebben en vallen de filantropen aan die, als ze ziekten willen uitroeien, de mensheid bedreigen vanuit eugenetisch standpunt (2). Natuurlijk zijn ze ook hevig gekant tegen ontwikkelingshulp en een overdracht van technologie naar het Zuiden. Want, stellen ze, alles wat bijdraagt tot een verhoging van het levenspeil, zal de omvang van families enkel doen toenemen. Deze these is echter totaal tegengesteld aan de werkelijkheid. De landhervormingen die in een aantal landen van de Derde Wereld werden doorgevoerd, leidden steeds tot een afname van de vruchtbaarheid. De morbide these volgens dewelke enkel armoede de groei van de bevolking een halt kan toeroepen, berust dus op niets.
Een ander drastisch, en al even misdadig voorstel, draait rond het toegelaten aantal kinderen. Maximum twee kinderen per gezin, verplichte abortus als men er meer wil, sterilisatie in geval van recidiviteit. Deze politiek werd uitgeprobeerd in China waar men, vanaf 1979, slechts 1 kind per gezin mocht hebben (toestemming was vereist voor een tweede). Dit liep uit op een complete mislukking en toont de grenzen aan van een te autoritaire regeringspolitiek. Bovendien had deze politiek een ongunstig gevolg voor het evenwicht tussen de seksen; er zijn zo'n 500.000 meisjes te weinig als gevolg van deze barbaarse geboortepolitiek (kindermoord, selectieve abortus na een echografie, slechte verzorging, enz).
Hoe heel de wereld voeden?
Zijn we in staat 9 à 10 miljard mensen van voedsel te voorzien? De malthusianen stellen categoriek van niet, omdat het onmogelijk is dit te doen zonder onherstelbare schade aan de grond en oceanen te veroorzaken. Ook de voorzitter van het befaamde Worldwatch Institute, Lester Brown, wijst op de limieten die bereikt zijn. Om dit te bewijzen wordt de werkelijkheid vaak geweld aangedaan. L. Brown staaft zijn uitspraak door te stellen dat in 1984 de wereldbevolking sneller toenam dan de graanproductie. Klopt dit voor 1984, dan kan men andere jaartallen aanhalen waar de oogst veel groter was dan de bevolkingstoename. Bovendien moet men kijken naar de regionale verschillen, en dan met name naar verschillen tussen Noord en Zuid. Derde element van vervalsing is dat enkel de graanproductie in rekening wordt gebracht. De totale voedselproductie nam echter toe.
Maar men kan natuurlijk niet stellen dat de situatie schitterend is. De ondervoeding blijft in Afrika voor grote rampen zorgen. Maar is dit te wijten aan de overbevolking? Nee, de grote hongersnoden zijn vooral te wijten aan oorlogen waardoor de oogsten niet kunnen worden binnengehaald en ook aan de overproductie in de rijke landen. Voornamelijk gaat het hier om een kwestie van verdeling. Als het beschikbare voedsel op wereldvlak juist zou worden verdeeld, zou er geen honger bestaan. Er is voldoende voedsel om iedereen dagelijks zijn/haar 2700 calorieën te garanderen.
En de milieuvervuiling?
Het voorbeeld bij uitstek zijn de regenwouden. Nochtans zijn het niet enkel de armen die verantwoordelijk zijn voor de ontbossing. Door de demografische groei zijn de boerenfamilies gedwongen steeds verder en verder te zoeken naar het noodzakelijke hout voor het koken van voedsel. Het zijn echter niet de borenfamilies, maar de grote investeerders die de Braziliaanse en Filippijnse regenwouden leegkappen - zonder dat ze een reden van hoogdringendheid kunnen inroepen. Enkel hun aanzienlijke winsten op korte termijn tellen mee. Het kan hen weinig schelen als er na vijf jaar niets overblijft. Ze gaan dan naar andere oorden of steken hun kapitaal in andere activiteiten. Vaak knijpen de lokale overheden een oogje toe want de deviezen die ze ontvangen dienen om de buitenlandse schuld mee af te betalen.
Nog grotere zorgen baart het energieverbruik. Na flink wat milieuconferenties (Rio, Kyoto, Buenos Aires) valt er nog niet veel verbetering waar te nemen, behalve dan rond de uitstoot van de ozonaantastende CFK's. Voor het Noorden hangt de stabilisatie van het energieverbruik op middellange termijn af van een voluntaristische politiek. Dit lost de toename van het energieverbruik in het Zuiden echter niet op. Nochtans is er geen ontwikkeling mogelijk zonder energieverbruik: scholen, wegen, huizen, hospitalen, elektrische centrales bouwen, vereist energie. De mensheid zal te kampen hebben met de schadelijke gevolgen die de verbetering van haar lot meebrengt. Duurzame energieën (zon, hydro-elektriciteit, biomassa) bieden op termijn échte oplossingen want ze zijn onuitputbaar en weinig vervuilend.
Het voornaamste antwoord ligt in de overdracht van technologie naar het Zuiden. In plaats van na te denken over maatregelen die het energieverbruik van de armen afraden, ligt de rationele oplossing in een energieprogramma op wereldvlak met ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek om de mogelijke en noodzakelijke technologische overdrachten te organiseren. V
1 Het voorbeeld van Nigeria toont dit goed aan. De volkstelling van 1991kwam op 88 miljoen inwoners in plaats van de geschatte 123 miljoen. Het valt niet uit te sluiten dat dit ook het geval is voor nog andere ontwikkelingslanden.
2 eugenetica: leer der rasverbetering
Voor een interessante en gedetailleerde analyse van deze kwestie, zie: Michel Husson, Sommes-nous trop?, Paris, Textuel (La Discorde), 2000, 174p.
Reactie toevoegen