“De meest adequate formulering om te beschrijven wat er zich afspeelt in de Arabische regio luidt “een revolutionair proces”, eerder dan een “revolutie” als een voltrokken proces.” Aan het woord is Gilbert Achcar, opgegroeid in Libanon en vandaag actief als professor politieke wetenschappen aan de London’s School of Oriental and African Studies. Dit interview met Achcar, die momenteel ook werkt aan een boek over de Arabische revoluties, werd afgenomen door Yvan Lemaître en verscheen eerder in het blad van de Franse NPA. Achcar schetst de achtergronden van de huidige opstanden en omwentelingen in de Arabische wereld en schuift ook enkele scenario’s voor de toekomst naar voor: “Over één zaak is haast iedereen het eens: het is allemaal nog maar net begonnen.”
Het verstikken van elk politiek leven door de dictaturen heeft ons doen vergeten dat er in de na-oorlogse periode een sterke politisering bestond onder intellectuelen en in de arbeidersbeweging, die sterk tot uiting kwam doorheen de anti-imperialistische strijd. Is het die politisering die weer opveert doorheen de huidige revoluties?
Wat er vandaag gebeurt, kadert in feite in de lange moderne geschiedenis van de Arabische staten. Zonder te ver te willen teruggaan in de tijd, kunnen we de huidige revolutionaire golf situeren in de afgelegde weg sinds de vorige regionale golf van opstanden die volgde op de Nakba, de Arabische nederlaag in Palestina in 1948. Er is de opkomst van de nationalistische beweging in de jaren 1950 en 1960, die er niet enkel in slaagt om het volkse protest te capteren en te versterken, maar ook om dat protest te radicaliseren op sociaal-economisch en politiek vlak. De nieuwe Arabische nederlaag van juni 1967 ten aanzien van Israël, betekent het begin van de teloorgang van het Arabische nationalisme. In de jaren 1970 komt er een soort van overgangsperiode waarin drie stromingen vechten om de hegemonie: het neergaande nationalisme, een nieuwe radicale linkerzijde, ten dele voortgekomen uit het nationalisme en het islamitisch integrisme, dat gevoed werd door de Saoedische petrodollars en dat door de regimes gestimuleerd werd als tegenpool voor radicaal links.
Na de Iraanse revolutie van 1979 komen we in een nieuwe historische fase terecht die drie decennia zal duren en waarin het volkse protest in de regio gedomineerd wordt door religieuze stromingen, met een neergang en marginalisering van links. De laatste jaren zagen we door de socio-economische gevolgen van de neoliberale globalisering een nieuwe opmars van het sociaal protest en van de klassenstrijd, aangevuurd door de effecten van de crisis en de achteruitgang van de levensomstandigheden. In Egypte luidt het jaar 2006 de start in van een golf van arbeidersstrijd die tot in 2009 vormen aanneemt die ongezien waren in het land en de regio. Deze herintrede van de klassenstrijd –een terrein waarop de religieuze stromingen, die sociale vrede prediken, nagenoeg afwezig zijn- toonde aan dat we aan de vooravond stonden van een nieuwe politieke fase, een nieuwe fase van verandering. De huidige revolutionaire golf versterkt enkel maar de rol van mobilisaties en van de arbeidersklasse, bijvoorbeeld in Tunesië en Egypte, de twee sleuteldlanden. Ook zien we een nieuwe groei, zij het nog bescheiden, van radicaal links. Voorts is er ook sprake van een vernieuwd liberalisme, in de Amerikaanse betekenis van het woord, een politiek liberalisme, eerder progressief op het sociale vlak, waarvan de gekendste vertegenwoordiger de’beweging van de jongeren van 6 april’ in Egypte is.
Toch vind ik het overdreven om te spreken over de “facebookrevoluties”, al klopt het dat een beperkte groep gepolitiseerde jongeren, vooral de aanhangers van dat nieuwe liberalisme, zich heeft kunnen organiseren dankzij de nieuwe technologie. Van Marokko tot Syrië speelden digitale communicatienetwerken een rol in de organisatie van de mobilisaties. Het gaat dan in grote mate om netwerken van jongeren met liberale, democratische en vrijzinnige ideeën, gecombineerd met een sociaal reformisme. Daar schuilt er een belangrijk potentieel van radicalisering, dat links, als het de aansluiting vindt, zou kunnen beinvloeden. We bevinden ons vandaag dus in een nieuwe overgangsperiode, waarin de kaarten herschud worden en waarbij er een sterke concurrentie ontstaat tussen aan de ene kant de nieuwe opkomende krachten –de arbeidersbeweging, links en liberale jongeren- en aan de andere kant islamistische bewegingen.
Jij praat over die revoluties alsof het om één groot proces gaat. Wat is de plaats van het panarabisme in het politiek bewustzijn en in deze gebeurtenissen?
Je moet de term “Arabisch” tussen aanhalingstekens plaatsen. We kunnen deze regio Arabisch noemen in geopolitieke zin, met bijvoorbeeld de Arabische Liga, of in die zin dat het Arabisch er de officiële taal is, hoewel ook niet altijd exclusief. Marokko en Algerije zijn bijvoorbeeld Arabo-Amazigh (Berbers). Het panarabisme, of anders gezegd het Arabisch nationalisme, was de dominante ideologie van de massabeweging in de hele regio tijdens de periode van de jaren 1950 en 1960. Terzelfdertijd vertegenwoordigde dit nationalisme een drang naar eenheid in de stijl van de grote Europese, burgerlijke éénmakingen, van bovenaf, en zeer gekristalliseerd rond de persoon van de Egyptische president Nasser. De nederlaag van de Arabische nationalistische beweging is gepaard gegaan met het wegebben van de nationalistische ideologie. Het feit dat vandaag de contestatiebeweging zich als een lopend vuurtje verspreidde over de hele Arabische zone, begrensd door de Sahara, Iran en Turkije kan enkel verklaard worden door de sterke banden die er bestaan in deze historische, culturele taalgemeenschap. Het satelietkanaal Al-Jazeera heeft er zeker toe bijgedragen, net als de sociale netwerksites.
We zijn getuige van de opkomst van een nieuw regionaal bewustzijn, maar dan niet vanuit een drang naar eenheid van bovenaf, via een dictatuur, maar een veel democratischere drang naar eenheid aan de basis, van onderop. Niet zozeer de Europese modellen van de afgelopen eeuwen, maar het confederale model van de Europese Unie (afgezien van haar sociale inhoud) stemt het meest overeen met wat de jongeren vandaag wensen.
De concrete éénmakingspogingen die eerder al plaatsvonden in de Arabische wereld, hebben duidelijk gemaakt aan wat men zich mag verwachten wanneer het gaat om eenheid tussen dictatoriale regimes. Ze waren ofwel gedoemd om te mislukken door de greep van het ene land op het andere, zoals met de Syro-Egyptische Unie in 1958, ofwel ontbrak het aan samenhang, zoals het geval was met de Unie van de Arabische Maghreb in 1989. Vandaag is men er zich van bewust dat er eerste grondige democratische veranderingen in de betrokken landen nodig zijn, alvorens er sprake kan zijn van éénmaking.
Hoe staat het vandaag met de Arabische revoluties en welke perspectieven zijn er?
Er bestaat eigenlijk een zeer brede consensus over het feit dat het allemaal nog maar net gestart is. Zelfs in de twee landen waar er overwinningen werden behaald, Tunesië en Egypte, zijn er zeker zoveel, zo niet méér elementen van continuiteit met het vroegere regime dan van discontinuiteit. Wat omver werd geworpen, is het zichtbare gedeelte van de ijsberg. Al de rest is er nog; namelijk het gros van de heersende klasse en haar machtsapparaat. Dat is ook waarom de strijd verdergaat. In Egypte is die bijvoorbeeld gericht tegen de militaire raad die de macht naar zich toe heeft getrokken na het vertrek van Moebarak. De meest adequate formulering om te beschrijven wat er zich afspeelt in de Arabische regio luidt “een revolutionair proces”, eerder dan een “revolutie” als een voltrokken proces. Dat revolutionaire proces werd ontketend door de gebeurtenissen van december 2010 in Tunesië, voortgezet in Egypte en het kende daarna uitbreiding in de hele regio. Maar we staan vandaag aan het begin van dit proces. In Bahrein. Jemen, Syrië of Libië werd die initiële overwinning zelfs nog niet binnengehaald. In nog andere landen slaagde men er nog niet in om manifestaties van een grote omvang op poten te zetten. En in Tunesië en Egypte is het proces helemaal niet voltrokken. De Egyptenaren hadden gelijk om hun revolutie te noemen naar de startdatum ervan, de “revolutie van 25 januari”. Want het einde is nog niet in zicht. Het is ook niet makkelijk om te voorspellen wanneer dat einde zal plaatsvinden, gezien in elke periode van revolutionaire omwenteling, die gekenmerkt wordt door de uitbarsting van de massa’s die de politieke scène bestormen, de geschiedenis duizelingwekkend snel kan gaan.
Dit gezegd, een terugkeer naar het vertrekpunt is uitgesloten. Het wiel van de geschiedenis kan je niet zomaar terugdraaien. De Arabische wereld is in 2011 in een overgangsperiode terechtgekomen die meerdere uitkomsten kan hebben, zoals elk revolutionair proces. Het meest wenselijke perspectief wat mij betreft, is de uitdieping en de consolidering van de democratische veroveringen, zodat een sociale en politieke arbeidersbeweging verder kan uitgebouwd worden en zodat er een nieuwe fase van radicalisering kan optreden in het proces, en wel op een klasse-basis. Het belangrijkste alternatieve scenario vandaag zou erin bestaan dat men de democratische transformatie ondergeschikt zou maken aan de voortzetting van de regimes door middel van de coöptatie van de integristische bewegingen. Dat is wat de USA de “geordende transitie” noemt en waarvoor ze bijvoorbeeld vandaag officiële banden heeft aangegaan met de Moslimbroeders. Uiteraard blijft er ook nog het perspectief van een verlengde fase van instabiliteit met alle sociale en economische gevolgen vandien en die –net zoals de revolutie van 1848 uitliep op de “18de Brumaire van Louis Bonaparte”- op termijn zou kunnen uitlopen op een autoritaire machtsgreep die de revolutie en haar verworvenheden teniet doet. Een dergelijke evolutie valt niet uit te sluiten. Daarom is het cruciaal dat links zich volop smijt in de strijd voor politieke democratie, met alle allianties die daarvoor noodzakelijk zijn, en dat alles met als allerbelangrijkste taak de opbouw van een onafhankelijke arbeidersbeweging, zowel op het syndicale als het politieke terrein.
Interview: Yvan Lemaître
Vertaling: David Dessers (Socialisme 21)
Dit artikel werd eerder geplaatst op: www.socialisme21.be
ik mis de rol van de eindtijdverwachting tav. de Mahdi
Reactie toevoegen