De gedeeltelijke terugtrekking van de VS uit het Panamakanaal eind 1999, de Ibero-Amerikaanse Top in Havana, waardoor de intergratie van Cuba dichterbij lijkt te komen, en onderhandelingen tussen de Europese Unie en een aantal landen (Mexico, en de Mercosur) zijn factoren die vraagtekens zetten bij de militaire en economische overheersing van de VS. Tegelijkertijd onderstrepen de laatste verkiezingsuitslagen (het verlies van de Peronisten in Argentinië, de flinke winst van het linkse ‘Brede Front’ in Uruguay) de politieke instabiliteit in de regio.
Massaal verzet
Maar Latijns Amerika is ook het strijdtoneel van een massaal volksverzet rond single issues. Hierdoor veranderen de politieke strategie en de programmatorische voorstellen van de linkse krachten op het continent. In het laatste jaar was er een golf van sociale uitbarstingen, stakingen, landbezettingen, protestmarsen en gewelddadige botsingen.
In Colombia zit de regering gekneld tussen een machtige guerrillabeweging en vakbonds- en boerenstrijd enerzijds en ultra-rechtse paramilitaire groepen en drugsbaronnen anderzijds. Dit alles tegen een achtergrond van de ergste economische crisis van de afgelopen decennia.
In Venezuela stortten alle instellingen van de oude politieke orde ineen onder druk van een massabeweging en werden ze vervangen door het nieuwe regime van Chavez (zie Grenzeloos nr. 53).
In Mexico werd de maandenlange staking van de belangrijkste universiteit van Mexico, de UNAM, pas in februari door forse onderdrukking beëindigd. De inheemse volkeren en de Zapatista’s in Chiapas gaan ook verder met hun strijd.
In Chili is de bevolking steeds meer gepolariseerd en gemobiliseerd door het touwtrekken over Pinochet, waardoor de elite-consensus onder de nieuwe centrum-linkse regering van Lagos is verzwakt.
Misschien het indrukwekkendste voorbeeld is Ecuador, waar een enorme volksopstand de regering van Jamil Mahuad in januari ten val bracht (zie kader).
Opvallend aan de sociale onrust die gaande is in vele landen in Latijns Amerika is de antikapitalistische dynamiek die het kent. Het ongenoegen van de bevolking is gericht tegen de structurele aanpassingsprogramma’s, tegen de uitholling van arbeidsrechten die veroorzaakt wordt door een toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkten, tegen de privatiseringen; kortom tegen de gevolgen van het neoliberalisme.
Een brede waaier aan ‘sociale actoren’ zijn betrokken bij de strijd. Maar als we nader kijken zijn het de stedelijke en landarbeiders die de motor zijn van deze nieuwe verzetsvormen. Het verzet omvat echter ook nieuwe sociale groepen die te lijden hebben onder de neoliberale hervormingen. Meer dan ooit nemen de kleine handelaars, kleine boeren en de verarmde middenklasse deel aan protestacties.
Economische armoede
Vóór de Braziliaanse crisis van januari 1999 voorzag men voor heel Latijns Amerika een economische groei van 1 procent. De ineenstorting van de Braziliaanse munt, de real, verergerde het economisch klimaat voor heel de regio. In april 1999 waren de voorspellingen van de Wereldbank bijgesteld. Een negatieve groei van 0,8 procent werd verwacht, een maand later voorspelde ALADI (de Latijns-Amerikaanse Organisatie voor Integratie) een negatieve groei van 1,6 procent.
Oorzaken van deze crisis zijn te zoeken in het openen van de economieën van de regio vanaf 1990. Dit leidde tot een reeks onevenwichtigheden tussen landen met een verschillende produktiviteitsgraad en met verschillende niveaus van buitenlandse directe investeringen. De beloofde kapitaalinvestering en de toename van de investeringen hebben zich niet voorgedaan. Er wordt geschat dat tweederde van de buitenlandse investeringen besteed werden aan bestaande faciliteiten in plaats van aan nieuwe produktie-eenheden. De privatisering van een groot aantal overheidsbedrijven en -diensten heeft er tevens voor gezorgd dat in een aantal Latijns-Amerikaanse landen strategisch economische sectoren onder directe controle van een klein aantal financiële instellingen uit de G7-landen staan.
De opbrengsten uit privatiseringen werden aangewend om schulden mee af te betalen. Argentinië besteedde 57 procent van de 39,6 miljard US dollar die het uit de privatiseringen haalde aan het terugbetalen van de schulden. Onder deze omstandigheden zijn de Latijns-Amerikaanse regeringen met handen en voeten gebonden. Hoe zouden ze hun nationale soevereiniteit kunnen ontwikkelen tegenover zo’n imperialistische overheersing?
Van de armen naar de rijken
De rijkdomsoverdracht van de Latijns-Amerikaanse arbeiders naar de banken van de Westerse landen neemt uiterst brutale vormen aan. Het is niet verrassend dat hetzelfde mechanisme zich binnen elk land voordoet. Volgens het laatste rapport van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank zijn ‘Latijns-Amerika en de Caribiën de regio’s met de grootste inkomensongelijkheid ter wereld; de regio waar de rijksten het grootste deel van de geproduceerde rijkdom bezitten. 40 Procent van het nationale inkomen is in handen van 1 procent van de bevolking.’
‘Over welke markt praten we eigenlijk als meer dan éénderde van de Latijns-Amerikaanse bevolking van deze markt is uitgesloten wegens armoede?’, vraagt de Mexicaanse econome Diana Alarcon zich in een interview voor het Argentijnse blad Tres Puntos af. ‘De grote politieke uitdaging bestaat erin de armen in deze markt op te nemen. Als we de middelmatige groei van de laatste jaren willen verbeteren, moet de herverdeling van de inkomens aangepakt worden.’
Alarcon is een gerespecteerde econome bij de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank. Maar haar voorstellen zouden ook van het IMF of de Wereldbank kunnen komen. De financiële instellingen willen meer en meer preventieve maatregelen nemen om het volksverzet dat ze verwachten en dat het gevolg is van hun eigen politiek, te kanaliseren en te verminderen.
Reactie toevoegen