De onderkant van de polder - Hardnekkige armoede in Nederland

Sinds een jaar of vijf erkent de regering dat er in Nederland armoede bestaat. De economische voorspoed en groeiende werkgelegenheid in de jaren negentig gingen gepaard met hardnekkige armoede. Het eerste kabinet-Kok presenteerde in ‘de andere kant van Nederland’ (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1995) haar armoedebeleid en sinds die tijd verschijnt ieder jaar een Armoedemonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Gedurende deze periode zijn ook vijf jaarrapporten gepubliceerd die een balans opmaken van de armoede en sociale uitsluiting.
Toen eind 2000 het jongste jaarrapport verscheen werd geschokt gereageerd op het feit dat in Nederland zo’n groot aantal kinderen onder de armoedegrens leeft, en dat de bestaande armoede zo hardnekkig blijkt te zijn. Tenminste eenderde (34%) van alle Nederlanders was in tien jaar tijd minstens één jaar arm.

Hardnekkigheid
In 1990 behoorde één op de tien huishoudens in Nederland tot de sociale minima. In 1998 was dit nog steeds het geval met een aantal van 917.000 huishoudens. Het percentage lage inkomens is hiermee hoger dan begin jaren tachtig.
De ontwikkeling er nog slechter uit als we niet alleen naar het aantal arme huishoudens kijken, maar ook naar het gemiddelde inkomenstekort en de intensiteit van de armoede. Een grote groep van 7% van alle Nederlanders leeft langdurig, dat wil zeggen minstens vier jaar, in armoede. Ook groeit hun inkomenstekort. Het percentage arme huishoudens wordt tweemaal zo hoog als het gemiddelde jaarinkomen over een periode van vier jaar bekeken wordt. Dat wil zeggen dat 13,5% van de Nederlanders er niet in slaagt structureel het inkomen boven de lage inkomensgrens te krijgen. Hieruit blijkt hoe hardnekkig armoede is.

Feminisering van de armoede
Armoede concentreert zich sterk bij vrouwen. Mooi gezegd is er dus sprake van feminisering van de armoede. Het gaat dan vooral om alleenstaanden en vrouwelijke hoofden van eenoudergezinnen. Midden jaren negentig was meer dan de helft van de huishoudens in de lage inkomensgroep een vrouwenhuishouden.
In de tweede helft van de jaren negentig brak de werkgelegenheidsgroei alle records, maar dat bracht voor de arme vrouwen en mannen weinig positiefs. Slechts een klein deel van de circa 900.000 banen die er sinds 1994 zijn bijgekomen is terechtgekomen bij arme huishoudens. Opmerkelijk is dat de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen geen tegenwicht bood tegen de groeiende feminisering van de armoede. Dit komt doordat vooral gehuwde en samenwonende vrouwen zijn gaan werken. Het gevolg was dus een toename van het aantal tweeverdieners, maar geen vermindering van de armoede.

Grote inkomensverschillen
De laatste twintig jaar groeien de inkomens van werkenden en uitkeringsgerechtigden uit elkaar, met een toenemende inkomensongelijkheid ten nadele van de laatsten. Terwijl het huishoudinkomen van werkenden vanaf eind jaren zeventig met ongeveer 12% steeg, daalde het inkomen bij uitkeringsgerechtigden met 13%. Dit oplopende verschil kan deels verklaard worden uit de eerder genoemde tegenstelling: aan de ene kant stijgt het aantal tweeverdieners en aan de andere kant stijgt het aantal eenoudergezinnen en alleenstaanden met een uitkering.
Daarnaast zijn de laatste twintig jaar de lonen steeds gematigd. Door de arbeidsparticipatie van vrouwen hebben veel huishoudens met tweeverdieners het gezinsinkomen kunnen vergroten.
Een derde negatief effect is een direct gevolg van diverse overheidsingrepen in de sociale zekerheid. De regering heeft de uitkeringen verlaagd en de kans op een uitkering verkleind. Hiermee is een opeenstapeling van effecten ontstaan die het gat tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden vergrootte. Vooral voor vrouwen is de kans op een uitkering kleiner geworden. En zo nam de feminisering van de armoede nog eens extra toe.

Working poor
In de periode van 1990 tot 1998 groeide ook het aantal werkenden met een inkomen rond het sociaal minimum, van 106.000 naar 172.000. Het betreft weer vooral alleenstaanden en alleenstaande moeders, die van laagbetaalde en parttime banen proberen rond te komen. Een eerste aanzet tot working poor begint zich af te tekenen.
Deze verslechterde positie van laaggeschoolden wordt mede verklaard door de toenemende globalisering (of regionalisering) van de economie. Laaggeschoolde arbeid moet in toenemende mate concurreren met die in andere landen van Europa of de VS. Overheidsbeleid om laaggeschoolden te steunen wordt tegelijk steeds moeilijker door de ontstane beleidsconcurrentie tussen landen.

Arme kinderen en jongeren
Door de toename van het aantal arme eenoudergezinnen zijn kinderen en jongeren relatief veel getroffen door armoede. In absolute aantallen groeide hun aantal met bijna 50.000 tot 354.000. Ook jongeren die niet door hun ouders ondersteund worden en toch niet in aanmerking komen voor een of andere uitkering vallen buiten de boot. Zij moeten wel terugvallen op de informele economie, in welke vorm dan ook, om in leven te blijven.

Allochtonen
Maar liefst 29 procent –dus bijna eenderde– van de in totaal 917.000 huishoudens met een laag inkomen is allochtoon. Bovendien is de kans op armoede bij allochtone huishoudens veel hoger dan bij autochtonen. Terwijl ‘slechts’ 12% van de autochtone huishoudens een laag inkomen heeft, loopt deze kans bij allochtonen op van ruim 30% bij Surinamers tot 43% bij Marokkanen. Dit laatste houdt dus in dat bijna de helft van alle Marokkaanse huishoudens in Nederland moet rondkomen van te weinig geld. Daarbovenop hebben juist zij vaak ook nog financiële verantwoordelijkheid voor familie in hun herkomstland. Niet zelden is dit een reden om in hoge schulden te raken.

Balans
Het enige lichtpuntje is dat armoede steeds minder het probleem is van ouderen boven de 65 jaar. De effecten van jaren armoedebeleid zijn vooral deze groep ten goede gekomen. Verder is de balans negatief. De inkomensongelijkheid is de laatste twintig jaar gegroeid. De aantallen arme jongeren en vrouwen stegen. De kans op armoede voor allochtonen is groot. De duur en de intensiteit van de armoede namen toe. Tegelijkertijd kan de rijkdom in Nederland niet op. Beleid gericht op een eerlijke verdeling van het inkomen is hard nodig. De huidige regering maakt dat duidelijk niet waar.

Over wat armoede precies is kun je discussiëren, maar de volgende definities zijn vrij algemeen aanvaard.

- Armoede is een politiek begrip, in de zin dat hedendaagse armoede in Nederland relatieve armoede is. Men is om financiële redenen niet in staat die dingen te kopen of te doen die in onze samenleving als gebruikelijk of als minimaal aanvaardbaar gelden.

- De lage-inkomensgrens: Uitgangspunt hierbij is het bijstandsniveau voor alleenstaanden in 1979, voor latere jaren aangepast via de prijsindex. Deze grens is ook weer bijgesteld voor verschillende huishoudens en ligt nu hoger dan de bijstandsnorm, omdat in 1979 de uitkeringen verhoudingsgewijs hoger lagen dan nu. In 1995 lag deze grens op 18% boven de bijstand voor alleenstaanden en op 30% erboven voor een paar met twee kinderen.

Verder lezen:
- Balans van het armoedebeleid; vijfde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting, Redactie: G. Engbersen, J.C. Vrooman, E. Snel. AUP, 2000. ISBN 90 5356 468 3
- Armoedemonitor 2000, SCP en CBS. www.scp.nl
- Economisch statistische berichten. Vol.84, nr. 4222. 1999

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop