Foucault baseerde zich zelden uitdrukkelijk, maar vaak wel impliciet, op de marxistische traditie. De naam van Karl Marx komt in Foucaults boeken zelden voor. Voor een linkse Franse intellectueel in de jaren vijftig en zestig was dat een daad van non-conformisme: het marxisme was in Frankrijk toentertijd alom aanwezig.
Foucault is slechts korte tijd lid geweest van de Franse Communistische Partij. Als homoseksueel liep hij binnen de CP tegen dezelfde grenzen op als in de burgerlijke cultuur. Ongetwijfeld was deze ervaring bepalend voor de afstand die hij nam van traditioneel links. Dat de samenlevingen die uit de Oktober Revolutie voortkwamen dezelfde hiërarchische structuren ontwikkelden als de burgerlijke, en het leven nóg sterker reguleerden, was voor Foucault het bewijs dat de onderliggende theorie niet radicaal genoeg was. Foucault gebruikte Marx’ theorie van de productieverhoudingen als model voor zijn analyse van het functioneren van macht.
Parijs 1968
In het Parijs van mei 1968 leek de horizon zich te openen. Een storm van verzet tegen de burgerlijke samenleving kwam op. Verzet dat zich niet beperkte tot intellectuelen maar waaraan ook een deel van de arbeidersklasse – zowel mannen als vrouwen - deelnam. Het leek gedaan met de gematigde krachten binnen links, meer radicale geluiden kwamen op. De weifelende, op compromissen gerichte houding van de Communistische Partij en de met haar verbonden vakbonden leek hun failliet te bevestigen. Velen van de nieuwe radicalen voelden zich verbonden met de Chinese Culturele Revolutie waar zij niet zelden een geïdealiseerd beeld van hadden.
Foucault zag in deze ontwikkelingen in West-Europa een nieuw soort sociale strijd ontstaan. Een strijd die zich niet alleen verzette tegen uitbuiting, maar zich richtte op wat hij noemde désassujettissement, ‘desubjectivering’. Met deze ‘desubjectivering’ bedoelde hij een opstand tegen de processen die ons tot subjecten maken binnen een gegeven systeem. Politiek sloeg Foucault in die tijd een zeer radicale toon aan: hij was het eens met mensen die voorstander waren van het oprichten van ‘volksrechtbanken’ om ‘vijanden van het volk’ te berechten.
Van links-radicaal naar links-liberaal
Vanaf het midden van de jaren zeventig veranderde het intellectuele klimaat in Frankrijk aanzienlijk. Het falen van de radicale verwachtingen en de groeiende aandacht voor de onderdrukking van dissidenten in het ‘reëel bestaande socialisme’, maakten dat een aantal voormalige woordvoerders van de ‘beweging van 1968’ zich sterk distantieerden van het marxisme. Mensen die al voor 1968 binnen links actief waren, zoals Foucaults leraar en vriend Louis Althusser, probeerden het marxisme te vernieuwen door het opbouwen van een stroming binnen de linkervleugel van het reformistische ‘Eurocommunisme’. Hun ideeën vonden echter maar weinig gehoor. De stroming van de ‘nieuwe filosofen’ zoals André Glucksman en Bernard-Henry Lévy construeerde in naam van antitotalitarisme een theorie waarin een rechtstreeks verband tussen Marx en de Goelag wordt gesuggereerd.
De postmoderne theorie werd geboren. Als men al vasthield aan de kritiek op het kapitalisme, dan was dat in de naam van ‘verschil’ en ‘diversiteit’, die door het kapitalisme dan wel de moderniteit, zelf, onderdrukt werden. Foucault viel Glucksmann enigszins bij maar was opmerkelijk genoeg ook enthousiast over de Iraanse islamitische revolutie. Als correspondent schreef hij over deze revolutie als ‘de terugkeer van een volk naar haar culturele wortels’. Later betreurde hij zijn vergissing. In 1980 ging zijn sympathie uit naar de Poolse Solidarnosc Beweging. Van een linkse radicaal werd hij een sceptische, linkse liberaal.
Het was niet alleen Foucault die een dergelijke ontwikkeling doormaakte. Ook anderen constateerden, na het wegsterven van de ultralinkse euforie, dat ‘verschil’, ‘dissidentie’, ‘nomadisme’ en ‘mobiele disposities’ eigenlijk best goed passen bij een postfordistisch, post-industrieel gereorganiseerd kapitalisme en dat homo’s niet per se het kapitalisme af hoeven te schaffen voor een betere positie in de samenleving. Men kan deze ontwikkeling schouderophalend afdoen als typisch voor radicalen die nooit echt hebben willen breken met de zekerheid van een burgerlijk bestaan. Maar dan blijft de vraag wat de waarde is van Foucaults denkbeelden die vroeger zulke geïrriteerde reacties opriepen.
Macht werkt door kennis
Sinds de Verlichting gingen emancipatiebewegingen er van uit dat kennis en verstand de weg wezen naar de bevrijding van de mens, naar bevrijding van door onwetendheid gesteunde onderdrukking. Foucault stelde deze aanname ter discussie. Geïnspireerd door Nietzsche’s vraagtekens bij het ontstaan van kennis probeerde hij te laten zien dat het moderne weten, het idee van de menselijke rede zelf het resultaat van uitsluiting is. Wat uitgesloten wordt of niet is deel van een ‘discursieve orde’. Een ‘discours’ is een systeem dat betekenis geeft, dat bepaalt wat je wel of niet mag zeggen, wat goed waar of fout, verstandig of gestoord, normaal of afwijkend is. Het zijn systemen die het resultaat zijn van toevallige constellaties en komen en gaan, zonder dat zoiets als vooruitgang plaatsvindt. Kennis werkt niet tegen de macht, maar macht werkt door kennis. Waarheid is niet het tegenovergestelde van door macht ondersteunde discoursen, maar louter hun interne effect. Dat betekent ook: overheersing voltrekt zich niet als de ‘repressie’ van een van nature vrij ‘subject’, maar door subjectiviteit zelf. Dat ‘subject’ - in het Frans sujet wat onderwerp betekent - is zelf het resultaat van onderwerping, van assujettissement. Wat wij als subject zijn, zijn wij enkel door de internalisering van discursieve ordeningen, ordes die ons aan bepaalde normen helpen. Aan de hand van zijn studies van moderne, ‘verlichte’ machtssystemen heeft Foucault de vervanging van disciplinering van buitenaf door geïnternaliseerde controlemechanismen in het innerlijk van het subject beschreven. Thema’s als de psychiatrie, het gevangeniswezen, en de seksualiteit hadden daarbij zijn bijzondere aandacht.
Het complexe weefsel van machtsverhoudingen
Tegen de marxistische gewoonte in om alle machtsverhoudingen en conflicten in burgerlijke samenlevingen te verklaren uit klassenoverheersing of kapitaalverhoudingen, benadrukte Foucault juist altijd de eigen logica van dit complexe weefsel van machtsverhoudingen. Machtsverhoudingen zijn niet het effect van ‘de economie’, maar maken het juist mogelijk dat die economische verhoudingen kunnen bestaan. Doordat Foucault geen systematische verklaring van de maatschappij als geheel ontwikkelde, ontglipte hem de mogelijkheid socialiseringsprocessen en hun potentieel tot verandering te doorzien en rationele perspectieven aan te geven. Rationaliteit, macht en heerschappij, particuliere en universele belangen zijn niet meer te onderscheiden. Als alles macht is, dan is de samenleving altijd hoe dan ook irrationeel.
Hiermee liet Foucault zich zien als een ware volgeling van Nietzsches gedachten over een eeuwig wederkerende macht. Net als bij Nietzsche is verzet tegen de bestaande machtsverhoudingen uiteindelijk alleen incidenteel en individueel mogelijk, vooral door middel van het soeverein vorm geven aan het eigen leven.
De late Foucault hield zich bezig met de vraag hoe mensen de ‘technologie van de macht’ door autonome ethische en esthetische zelfontwerpen tegemoet kunnen treden – zelfontwerpen die nooit een universeel perspectief kunnen bieden.
Deze quasi-existentialistische ommekeer verbaast omdat dat hij individuen hiermee een potentie tot autonomie toevertrouwt, die hij in zijn vroegere radicale subjectiviteitkritiek juist bestreed. Waar het Foucault in deze periode om ging was ‘desubjectivering’ als ‘kritiek’ in de zin van een ‘kunst van het vrijwillig niet-knecht zijn’, of de ‘kunst je niet dermate te laten regeren’, ‘niet zo en niet daarvoor en niet door die daar’.
Kritiek op de moderniteit
Volgens de klassieke marxisten bezat de industriële ontwikkeling van productiekrachten een universeel potentieel voor sociale emancipatie. Na de Tweede Wereldoorlog kwam dit optimisme ter discussie te staan. Aan de ene kant gebeurde dat door intellectuele westerse marxistische stromingen, zoals de Frankfurter Schule, welke kritiek uitoefende op de technologie. Ook linkse maoïsten in het revolutionaire ontwikkelingsland China protesteerden, tevergeefs, tegen het technocratische ‘primaat van de productiekrachten’ dat mensen niet bevrijdt maar juist onderdrukt.
Foucault maakte deel uit van deze golf van kritiek op het modernisme en was misschien wel haar radicaalste vertegenwoordiger. Hij slaagde erin een eigenaardige synthese te ontwikkelen van kleurrijke romantiek en koele nuchterheid. Zijn denken beïnvloedde nieuwe sociale bewegingen en de emancipatiestrijd van minderheden en ‘randgroepen’ - van homoseksuelen tot psychiatrische patiënten. Deze onderdrukte minderheden begonnen over zichzelf te praten op een manier die verschilde van de manier waarop de ‘humanistische’ moderne wereld deze mensen tot dan toe had gestigmatiseerd en gepathologiseerd.
Ondanks de niet te bestrijden verdiensten van Foucault, doet de postmoderne ‘identiteitspolitiek’ die bij zijn concepten aanknoopt ondertussen op een bepaalde manier anachronistisch aan. Ontkoppeld van elke relatie tot de analyse van productieverhoudingen binnen de maatschappij als geheel, werden deze ideeën, gebaseerd op willekeurige en particuliere voorkeuren, stijloefeningen van subculturen. Die subculturen kunnen zich naadloos invoegen in de diversiteit van levensstijlen in het neoliberale kapitalisme. In tijden waar de terreur van de economie weer ongeremd toeslaat, komt naar voren dat het ouderwetse klassenvraagstuk toch iets anders is dan het vrolijke spel om ‘verschillen’ en ‘diversiteiten’ waarin postmoderne dwepers het wilden oplossen.
Foucault heeft de verwording van de postmoderne identiteitspolitiek niet meer mogen meemaken. De vervanging van kritiek op het kapitalisme door een vermeende meer radicale en meer fundamentale kritiek op macht leidde niet tot een efficiënte kritiek op de samenleving maar juist tot het opgeven van elke kritiek op de samenleving. De onduidelijkheid van Foucaults denkbeelden eistenhier zijn tol. Weliswaar heeft Foucault ‘macht’ en ‘discours’ nooit eenvoudigweg gelijkgesteld - hij heeft nooit ontkend dat macht bestaat buiten het taalspel waarin macht zich uitdrukt. Maar zijn relativisme, dat alle beschrijvingen van realiteit uiteindelijk als willekeurige voorspellingen berustend aanziet heeft bijgedragen aan het in diskrediet brengen van alle analyse-instrumenten die objectieve realiteit en ideologische representaties kunnen onderscheiden.
Postmodern spel van diversiteit
Tot Foucaults memorabele prestaties behoort zijn kritiek op de omstreeks 1968 verbreide leus van de ‘seksuele bevrijding’. Foucault zag heel scherp dat dit parool geen breuk met het hedendaagse burgerlijke ‘seksuele dispositief’ betekende, maar veel meer een verdere ontwikkeling ervan. Dat wat daar ‘bevrijd’ zou moeten worden was zelf niets anders dan het product van het hedendaagse biologische en psychologische discours, dat nu ook normgevend voor de publieke opinie werd. En om daaruit een meer algemene conclusie te trekken: tussen dat, wat sociale spelers subjectief geloven te doen, en dat wat ze daadwerkelijk doen, bestaat een groot verschil. Niet elke zogenaamde bevrijding is daadwerkelijk een bevrijding, de bevrijdingsverklaringen blijven van tijd tot tijd gevangenen van de logica waartegen ze zich richten.
Daarom pleitte Foucault voor ‘positiviteiten’ in plaats van ‘anti-onderdrukkingsliederen’. Maar voor de door zijn navolgers ingezette lofrede op ‘diversiteit’ en ‘verschil’ geldt hetzelfde. Zij hebben niet de radicale ‘subversie’ bewerkstelligd, waarnaar zij oorspronkelijk streefden. Ze waren veel meer grotendeels ideologische achtergrondmuziek voor de neoliberale modernisering van de kapitalistische productie- en levensverhoudingen waarin coole individuen nu net zo’n prominente plaats op de sociale ladder innemen als de zich keurig in de fordistische orde schikkende mensen van weleer.
Foucaults grote inspanningen waren echter niet voor niets. Foucault heeft net zo weinig schuld aan het neoliberalisme als Marx aan de Goelag. Maar zijn radicaliteit heeft het spoor van het liberale individualisme nooit verlaten. De degeneratie tot ‘design-ideologie’ was de straf die hij daarvoor moest ondergaan. Deze ideologie kunnen we als afgedaan beschouwen nu aangetoond is dat postmodern zelf-design de wereld niet verandert.
Dit artikel verscheen eerder in Analyse & Kritiek nummer 540 (www.akweb.de). Vertaling en bewerking: Lieke Peeters en Arthur Bruls. Op www.marxists.org/nederlands/foucault staan enkele Nederlandstalige teksten van Foucault die als eerste kennismaking met zijn denken kunnen dienen.
Reactie toevoegen