Volgens Geert Reuten, econoom en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, bestaat de loon-prijsspiraal, die menigeen al veertig jaar in de mond bestorven ligt, helemaal niet. ‘Wanneer deze spiraal aangehaald wordt om voor loonmatiging te pleiten, wordt een belangrijk uitgangspunt verzwegen: het handhaven van de winst. Er is namelijk wèl sprake van een winstprijsspiraal. Sinds ‘79-‘80 stijgt de arbeidsproductiviteit sterker dan de lonen, waardoor meer geproduceerd kan worden tegen minder kosten. Het verschil levert al ruim twintig jaar stijgende winsten op, wat duidelijk blijkt uit het groeiend winstaandeel in het Nationaal Inkomen. Iedere ondernemer kan er echter zelf voor kiezen de prijzen niet te laten stijgen als de lonen omhoog gaan. Datzelfde geldt voor de BTW verhoging. Maar als deze kostenstijgingen niet in de prijzen worden verrekend, zal de winst niet op het huidige hoge niveau gehandhaafd blijven. Dat is een keuze, die nu nergens aan de orde is’, aldus Reuten. ‘Alleen de loonsverhoging wordt ter discussie gesteld.’
Concurrentiepositie
Het is evenmin zo dat de Nederlandse concurrentiepositie door looneisen gevaar loopt, zoals ondernemers vaak beweren ‘Sinds ’80 zijn in Nederland per jaar de reële lonen gemiddeld met 0,1% gestegen, dus over twintig jaar is dat een reële groei van 2%’, rekent Reuten voor. ‘De Nederlandse lonen zijn achtergebleven bij die in de andere landen van de Europese Unie. Dat komt door ons beroemde Poldermodel. Ondernemers kunnen door de lage lonen en de hoge productiveit ook in het buitenland winsten realiseren.’
‘Je ziet ook het aandeel van het kapitaalinkomen in het Nationaal Inkomen vanaf ’80 in Nederland ver boven het niveau van de Europese Unie en de Verenigde Staten uitgaan. In ’98 was dit aandeel 35%. Dat is 5 procent-punt hoger dan in de EU of de VS.’
Ook leidt dit relatief hogere kapitaalinkomen niet vanzelf tot meer investeringen. Terwijl het aandeel van het kapitaalinkomen in het totale Nationaal Inkomen, zoals gezegd, de afgelopen twintig jaar fors steeg, is het aandeel van de investeringen niet mee gegroeid, maar gemiddeld gelijk gebleven’, stelt Reuten. ‘Loonmatiging heeft in Nederland wel tot hogere winsten geleid, maar deze leidden niet tot navenant hogere investeringen. Natuurlijk moet in een kapitalistische economie winst gemaakt worden om investeringen überhaupt aantrekkelijk te maken, maar hoe hoog de winstvoet (het rendement) dan moet zijn – 1%, 3%, 6% of 10% -– , dat is een kwestie van traditie en gewoonte.’
Sommige economen, zoals Alfred Kleinknecht, menen dat de lage loonkosten in Nederland er de oorzaak van zijn dat ondernemers weinig aan innovatie doen. Met andere woorden: arbeid is goedkoop, dus wordt er geen geld gestoken in arbeidsvervangende techniek en daarom blijft de productiviteitsstijging laag. ‘Daar geloof ik niets van,’ aldus Reuten. ‘Ondernemers zijn altijd op zoek naar arbeidsbesparende technieken die de arbeidsproductiviteit doen stijgen. Loonkosten spelen daarbij slechts een ondergeschikte rol.’
Werkloosheidscijfers zijn relatief
Maar als de lonen te veel stijgen, neemt de werkloosheid toe, redeneren VNO, NCW en minister Vermeend. Klopt dat dan niet? ‘Het verband tussen loonsverhogingen en werkloosheid ligt niet zo eenduidig als vaak wordt aangenomen,’ meent Reuten. ‘Zolang ondernemers winst maken, zullen ze mensen in dienst nemen. Er is ook sprake van typisch Nederlandse cosmetica: de werkloosheid is in de officiële cijfers lager gehouden dan in bijvoorbeeld Frankrijk en Groot-Brittannië. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van de grote hoeveelheid parttime banen in Nederland. Als je de voltijds-werkloosheid uitrekent, is die in Nederland even hoog als in Frankrijk en Groot-Brittannië. Die parttime banen zijn voor veel ondernemers zeer aantrekkelijk. Denk aan een bedrijf als Albert Heijn, dat slechts een paar uur per dag een topbezetting nodig heeft.’
‘Je moet bovendien altijd de Nederlandse WAO-aantallen betrekken in de werkloosheidscijfers. Alles bij elkaar zie je dat de hoogte van de werkloosheid relatief is, en dus ook de krapte op de arbeidsmarkt.’ Reuten ziet geen grond voor een nieuw Wassenaars akkoord. ‘Als je Nederland vergelijkt met de andere landen in de Europese Unie of met de Verenigde Staten, dan bestaat hier een buitensporige ruimte in het winstaandeel. Ondernemers bewaken die ruimte met hand en tand en willen daarom graag opnieuw een akkoord afsluiten. Als dat lukt, lachen ondernemers zich dood.’
Het is goed je te realiseren dat Nederland nu de keerzijde gepresenteerd krijgt van het eigen werkloosheidsbeleid. ‘Eerst werd de werkloosheid kunstmatig laag gehouden ten opzichte van ons omringende landen om een resultaat van jarenlange loonmatiging te scoren. Nu er een krappe arbeidsmarkt ontstaat en werknemers vanuit een sterkere positie hogere lonen eisen, gebeurt precies het omgekeerde. Het is geen toeval dat juist nu de commissie Donner met een plan komt om WAO-ers over te hevelen naar de WW’, meent Reuten.
‘Het kabinet heeft om dezelfde reden kortgeleden besloten dat mensen uit de toekomstige uitbreidingslanden van de Europese Unie hier mogen komen werken. Wat je ziet is dat zodra er krapte op de arbeidsmarkt ontstaat, grenzen worden opengesteld voor buitenlandse arbeiders. Als wereldburger juich ik dat toe, maar als kabinetsbeleid is het inconsequent: nu de lonen stijgen, kunnen buitenlanders opeens wel komen werken, net als in de jaren ’60.’
Topsalarissen
De laatste tijd ontstaat er ieder voorjaar grote verontwaardiging over de bovenmatige stijging van de topsalarissen. Zelfs Wim Kok vindt het een gotspe dat managers die zichzelf deze loonsverhoging cadeau doen, van hun medewerkers verwachten dat ze hun looneisen matigen. Ook Reuten ziet geen economische noodzaak voor de hoge salarissen. ‘Honderd jaar geleden waren hoog opgeleide managers schaars. Nu heeft vijftig procent van de mensen in bedrijven een middelbare opleiding en vijfentwintig procent een hogere opleiding. Dat zijn mensen die zich in redelijke mate een oordeel kunnen vormen over hoe het gaat in het bedrijf. Je kunt dus stellen dat het schaarste argument voor managers niet op gaat. Toch leeft nog steeds het idee dat topmanagers een schaars goed zijn en daarnaar betaald moeten worden. Maar er zijn talloze mensen die even goed leiding kunnen geven als de paar mannetjes die het nu doen. Het zijn inderdaad meestal mannen die zich op weten te werken tot chefdirecteur. Er lijkt dus een ander soort slimheid nodig dan het vermogen een bedrijf goed te kunnen leiden. De vraag is bovendien of ze het wel zo goed doen. Dat het een gok blijft, zie je aan het verloop in dat soort banen. Een directeur die het slecht doet, krijgt vaak nog een gouden handdruk toe. Dus afgezien van de onnodige hoge beloning, eten ze ook nog van twee walletjes.’
Ook hier is traditie in het spel. Een kliek van chefdirecteuren en commissarisen speelt elkaar de vette bal toe. Natuurlijk geven ze er een redenering bij: het gaat namelijk om zeer gewichtige mensen die oh zo’n moeilijk werk doen. Een argument dat spijtig genoeg makkelijker door te prikken is dan te veranderen.
Reactie toevoegen