Wat Netwerk beweerde
In de uitzending van donderdag 10 februari 2005 berichtte het actualiteitenprogramma Netwerk over het zogenaamde 'Terugkeerdocument Congo'. Uit dit officiële document van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat bij aanvraag van een Congolees reisdocument (" laisser-passer") bij de Congoleze autoriteiten (hier de Congoleze vertegenwoordiging te Den Haag) , naast een aantal identiteitsverifiërende gegevens, "in het kader van het vooronderzoek het 'rapport van gehoor' dient te worden gevoegd."
Het betreffende document stond haaks op eerdere verklaringen van Verdonk aan de Tweede Kamer in augustus 2003, toen zij, antwoordend op Kamervragen inzake het doorspelen van asielgerelateerde gegevens aan de Congoleze overheid, stelde dat de IND dit 'nimmer' deed. Naar aanleiding van de hierboven genoemde Netwerk-uitzending stelde Verdonk in haar antwoord op schriftelijke Kamervragen dd. 11 februari 2005 (TK 2004-2005, aanhangsel Handelingen, 1925) dat "aan de Congoleze autoriteiten geen inzicht wordt gegeven in het rapport van het nader gehoor en dat ook geen informatie uit het rapport van het nader gehoor wordt verstrekt" om dit standpunt vervolgens in het daaropvolgende Kamerdebat van 23 februari 2005 nog eens te herhalen, met de geruststellende toevoeging dat "door de IND-medewerker aan de Congoleze autoriteiten niets anders kenbaar gemaakt [wordt] dan dat de vreemdelingen in kwestie geen rechtmatig verblijf [heeft]"(TK, 2004-2005, 51). Ondanks 't officiële zwart op wit gedrukte 'Terugkeerdocument Congo' nam de Tweede Kamer genoegen met de zoetgevooisde verklaringen van Verdonk, en de affaire Congo leek, althans wat de Tweede Kamer betrof, voor de vergetelheid bestemd.
Op dinsdag 21 juni volgt een nieuwe uitzending van Netwerk, waarin de schokkende vaststelling wordt getoond dat de Congoleze overheid wel degelijk beschikt over Nederlandse overheidsdocumenten met asielgerelateerde informatie omtrent in Nederland uitgeprocedeerde Congolezen. De door Netwerk in de archieven van de DGM (Direction Générale de Migration) te Kinshasa aangetroffen en in de desbetreffende uitzending uitvoerig besproken documenten bestaan uit een aantal interne werkdocumenten van de Koninklijke Marechaussee (Kmar). Het gaat om een "werkbriefje" en een "intake"-formulier, dewelke beide duidelijk vermelden dat de betrokkenen in Nederland asiel hadden aangevraagd. Daarnaast trof Netwerk in één geval in de Congoleze DGM-archieven een uitspraak van de Rechtbank 's-Gravenhage aan, waarin melding werd gemaakt van de afwijzing van betrokkene zijn asielverzoek evenals de door betrokkene aangegeven problemen die hij in Congo had ondervonden. Daarenboven stelde Netwerk, zich baserend op verklaringen van teruggekeerde uitgeprocedeerden, lokale mensenrechtenactivisten evenals medewerkers van de DGM zelve, dat uit Nederland uitgezette ex-asielzoekers bij terugkeer in de DRC zouden worden ondervraagd en mishandeld door ambtenaren van de DGM en de inlichtingen- en veiligheidsdienst Agence Nationale des Reseignements (ANR).
Naar aanleiding van de hierboven beschreven vaststellingen, zoals bericht in de desbetreffende Netwerk-uitzending, herhaalde Verdonk de volgende dag tegen het ANP dat ze geen twijfels had over haar uitspraken van februari doch kondigde zij desalniettemin de instelling van de Commissie "Havermans" aan, dewelke de taak kreeg toebedeeld
"de in de uitzending van 21juni gestelde beweringen van Netwerk te verifiëren en met name de beschuldiging te onderzoeken van het verstrekken, door Nederlandse overheidsinstanties, van vertrouwelijke informatie uit asieldossiers aan de DGM"(Havermans:16). Daarnaast verzocht Verdonk haar collega van Buitenlandse Zaken om een nieuw ambtsbericht inzake de precieze status van de Congoleze DGM en de positie van uitgeprocedeerde Congolezen in de DRC. Ten slotte werd Verdonk op 23 juni 2005 vanuit de Tweede Kamer middels een motie verplicht de uitzettingen van uitgeprocedeerde Congolezen hangende het onderzoek van de "Havermans"-Commissie per direct op te schorten, waar zij met een onverscholen weerzin kennis van nam.
De Congo-affaire krijgt een nieuw hoofdstuk wanneer Netwerk in haar uitzending van 18 oktober 2005 bericht dat zij in Congo de hand heeft weten te leggen op officiële zogenaamde vingerafdruk-documenten van elf personen. De bewuste documenten vermeldden alle een aangevinkt vakje asiel. Deze vingerafdruk-'slips' worden door de Nederlandse overheid standaard aan de Congoleze vertegenwoordiging te Den Haag verstrekt om vervangende reisdocumenten te verkrijgen voor uitgeprocedeerde asielzoekers, die niet over een paspoort beschikken. Volgens de verklaringen van oud-directeur Jan Mulder van het AanmeldCentrum (AC) Ter Apel heeft de Nederlandse overheid in elk geval in de periode van 1999-2001 standaard formulieren verstrekt waarop vermeld stond dat het om asielzoekers ging, omdat de Congoleze ambassade anders weigerde laisser-passers te verstrekken. Daarenboven stelt Netwerk vast dat het gros van de bewuste elf documenten de handgeschreven notitie ( transmettre à l')ANR (pour competence) bevatten, wat -haaks op de inhoud van het Nederlandse ambstbericht- suggereert dat er sprake zou zijn van een samenwerkingsverband tussen de Congoleze DGM en ANR, zijnde een beruchte Congoleze veiligheidsdienst die bekend staat marteling niet te schuwen.
Minister Verdonk was deze keer niet zo snel met haar reactie. Pas op 27 oktober liet de Minister schriftelijk aan de Kamer weten dat zij de Commissie "Havermans" had verzocht om de hierboven beschreven bevindingen van Netwerk in haar onderzoek mee te nemen en derhalve te "bekijken of Nederland de afgelopen zes jaar vertrouwelijke informatie over uitgeprocedeerde asielzoekers aan de Congoleze autoriteiten heeft verstrekt." Daarnaast deelde Verdonk de Kamer -op een voor de Minister buitengewoon gematigde toon- schriftelijk mede dat "op grond van voorlopige informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) niet kan worden uitgesloten dat zich ook na 2002 soortgelijke zaken hebben voorgedaan." De standvastigheid en zelfzekerheid van de door de Minister geuite glasharde ontkenningen hadden inmiddels plaatsgemaakt voor een schroom van twijfel en impliciete bevestiging.
Tenslotte wijdt Netwerk op donderdag 1 december 2005 een uitzending aan de bevindingen van BBC-journaliste Jenny Cuffe, die naar aanleiding van de eerdere Netwerk-uitzendingen en de daardoor ontstane commotie in Nederland zelf naar DRC afreisde om ter plaatse onderzoek te verrichten. In het daaropvolgende verslag van de BBC-journaliste wordt nog maar eens het belang van het toepassen van een rechtvaardig asiel- en terugkeerbeleid benadrukt evenals de zware verantwoordelijkheid dewelke er rust op de schouders van Europese landen, wanneer deze er een loopje mee nemen. Zo klaagt zij in haar verslag aan dat er tot op heden geen enkele internationale organisatie noch een Europese overheid de moeite heeft genomen om de lotgevallen van uitgeprocedeerden bij terugkeer naar Congo na te gaan, doch dat desondanks diezelfde Europese autoriteiten blijven volhouden dat het veilig is om uitgeprocedeerden terug te sturen naar datzelfde Congo. Als schril contrast laat Cuffe vervolgens een aantal getuigenissen van teruggekeerde afgewezen asielzoekers aan 't woord, die 't beeld scheppen dat er sprake is van systematische arrestatie, detentie en marteling van teruggestuurde (ex-)asielzoekers bij aankomst te Kinshasa. Een beeld dat wordt bevestigd in gesprekken met een Congoleze mensenrechtenadvocaat evenals met anonieme Congoleze veiligheidsambtenaren, met die kanttekening dat laatstgenoemde groep benadrukte dat 't hier niet om een officieel overheidsbeleid gaat.
De Commissie "Havermans" nam akte van de hierboven genoemde uitzending, doch besloot Jenny Cuffes' bevindingen niet mee te nemen in haar onderzoek, omdat deze zich volgens eerstgenoemde met name toespitsten op de veiligheidsituatie van uitgeprocedeerde asielzoekers na terugkeer in de DRC (Havermans:19). Bij het verschijnen van het Rapport "Havermans" zou blijken dat de Commissie van oordeel was dat 'de discussie over de DRC als "veilig land" (...) binnen het kader van het algemeen ambtsbericht, dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken ook over de DRC periodiek wordt gemaakt, (diende) te worden gevoerd'(Havermans:19). Derhalve is er door Havermans en zijn twee collega's geen nader onderzoek verricht naar de vraag of het verantwoord is of is geweest dat vreemdelingen uit de DRC -in algemen zin en/of in individuele gevallen- naar hun land van herkomst worden of zijn teruggezonden, noch heeft zij de precieze status van de ondermeer door Netwerk in vraag gestelde DGM (immigratiedienst of veiligheidsdient?) onderzocht. Dit is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk, daar het mogelijk doorsturen van asielgerelateerde overheidsinformatie door Nederland aan de Congoleze autoriteiten, zijnde de aanleiding voor het instellen van deze onderzoekscommissie, en de gevolgen dienentgevolge voor wat betreft de veiligheidssituatie van de (betrokken) teruggestuurde uitgeprocedeerden niet als aparte op zichzelf staande feiten kunnen worden beschouwd. Als er één iets was wat Netwerk en Jenny Cuffe ontegensprekelijk naar voren hadden gebracht, dan was het dat wel. Een moord kan men ook niet oplossen zonder lijk, men noemt 't dan zelfs niet eens een moord. En laat dàt nou de hele bedoeling zijn geweest van de Commissie "Havermans".
't Rapport "Havermans": een Sinterklaascadeau avant la lettre voor Verdonk
Naast de hierboven beschreven beslissing van de Commissie "Havermans" om geen nader onderzoek te verrichten naar de veiligheidssituatie in Congo behelsde het beoogde "Havermans"-onderzoek nog een aantal gebreken, dewelke ernstige vragen opwerpen naar de grondigheid en volledigheid van het bewuste onderzoeksrapport en haar bevindingen. Zo blijkt dat, ondanks het gegeven dat de Commissie zich ruim een half jaar voor haar onderzoekswerkzaamheden heeft toegeëigend, Havermans en zijn twee collega's onbegrijpelijkerwijs hebben besloten om niet zelf naar Congo af te reizen en ter plaatse polshoogte te nemen. In het rapport rechtvaardigt de Commissie dit besluit door te stellen dat, op grond van "een uitvoerig en vruchtbaar gesprek" met de in Nederland op bezoek zijnde Nederlandse ambassadeur in de DRC alsook op grond van een gesprek met Congoleze diplomaten te Den Haag en schriftelijke vragen 'die door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade te Kinshasa voorgelegd konden worden aan enkele functionarissen van de DGM', haar vragen 'op deze wijze afdoende (konden) worden beantwoord'(Havermans:20). Daarnaast blijkt uit 't rapport dat, van de zes in Netwerk aan 't woord gelaten Congolezen, de Commissie slechts twee van deze groep heeft weten te traceren en horen. Daarenboven geldt dat in één van deze twee gevallen, omwille van geheimhouding in het kader van de Privacy-wetgeving van de zijde van Netwerk, de Commissie ruiterlijk toegeeft 'niet met 100% zekerheid (te) kunnen vaststellen dat de persoon die zij heeft gehoord dezelfde persoon was als de Congolees "P." in de uitzending van Netwerk van 21 juni 2005' (Havermans:90). Desalniettemin acht zij het 'zeer aannemelijk' dat het dezelfde persoon betrof op grond van het gegeven dat diens verklaringen tegenover de Commissie consistent waren met die van "P." in de bewuste Netwerk-uitzending.
Bovenstaand beschreven vaststellingen in beschouwing nemende kan men zich, vanuit 't perspectief van de door de Commissie geraadpleegde bronnen, oprecht afvragen in hoeverre de door de "Havermans"-Commissie aangereikte bevindingen op dat ene cruciale punt van de overdracht van asielgerelateerde overheidsdocumenten aan Congo enige draagkracht hebben, en -belangrijk- hoeveel waarde er aan kan worden gehecht!?
Zo erkent de Commissie in haar rapport weliswaar dat de door Netwerk getoonde Nederlandse overheidsdocumenten in haar uitzendingen van 21 juni en 18 oktober 2005 daadwerkelijk zijn verkregen uit de archieven van de Congoleze autoriteiten, doch doet zij deze overdracht van asielgerelateerde informatie af als zijnde 'onvolkomenheden' dewelke volledig 'onbewust' en 'abusievelijk' door de betrokken IND-medewerkers waren verricht. Wanneer men echter 't bewuste rapport in zijn volledigheid in beschouwing neemt, dan kan men zich oprecht vragen stellen bij deze 'vreemde' conclusie. Zo baseert de Commissie de hierboven beschreven bevinding puur en alleen 'op grond van de verklaringen van de betrokken IND-medewerkers' en verwijst hierbij in één adem naar de plausibiliteit van het gegeven dat
'onderbezetting en gebrekkige administratieve ondersteuning' een verklarende factor hiervoor kan zijn geweest(Havermans:121). De Commissie had gedurende haar onderzoekswerkzaamheden namelijk vastgesteld dat er tot februari 2005 van een administratie van de stukken, die in het kader van de aanvraag aan de autoriteiten andere staten worden gezonden, volstrekt geen sprake was. Derhalve ontbeerde het de Commissie aan gegevens om de omvang van het verstrekken van asielgerelateerde overheidsinformatie naar DRC -en andere landen- te bepalen. De Commissie concludeerde vervolgens gemakshalve dat 'zij (...) het aannemelijk (acht) dat gedurende de periode van 1999-2002 door de IND meermalen vingerafdrukbladen zijn overgelegd aan de DRC ambassade te Den Haag waaruit was af te leiden dat betrokken vreemdeling asiel had gevraagd'(Havermans:120). Wat betreft de periode nà februari 2005 kon de "Havermans"-Commissie op grond van de IND-administratie wel opmaken welke documenten na februari 2005 naar de Congoleze autoriteiten waren verzonden. Zij stelde vast dat in 5 van de 71 door de IND onderzochte aanvragen asielgerelateerde informatie was verstrekt. Dat is 1 op 14 gevallen(!). Wanneer men even de kanttekening plaatst dat de IND, met een klaarblijkelijke foutmarge van 1 op 14, jaarlijks een paar duizend gevallen behandelt dan mag men er van uitgaan dat per jaar in enkele honderden gevallen asielgerelateerde informatie bij de -in dit geval- Congoleze overheid is terechtgekomen. Desalniettemin blijft de Commissie in haar rapport het "abusievelijke" karakter van deze verrichtingen door de IND-medewerkers benadrukken(Havermans:120).
De Commissie neemt helemaal een loopje met de feiten, wanneer zij weliswaar de constatering van het bestaan van het verbod binnen de Nederlandse regelgeving op het verstrekken van asielgerelateerde informatie aan de landen van herkomst benadrukt, doch hierin vervolgens op eigen houtje een nuance in aanbrengt.
Zo stelt zij het volgende: 'Dit verbod omvat primair het verstrekken van inhoudelijke informatie uit het asieldossier. De commissie constateert dat ook het enkele gegeven dat betrokken vreemdeling asielzoeker is (geweest) niet dient te worden gemeld aan autoriteiten van landen van herkomst. De commissie is gebleken dat het laatstgenoemde aspect door verschillende organisaties en instanties van een ander orde wordt geacht dan het verstrekken van inhoudelijke asielgegevens. Dit overigens zonder dat zij daarmee iets af willen doen aan het verbod op verstrekking van asielgerelateerde gegevens'(Havermans:46).
Ondanks de constatering dat de Commissie met bovenstaande 'conclusie' er duidelijk voor heeft gekozen haar vingers niet te willen verbranden aan 't heikele punt van de zwaarwegendheid van 't verstrekken van asielgerelateerde overheidsinformatie en derhalve tegelijkertijd warm en koud poogt te blazen, wordt hier toch impliciet gemeld dat er binnen bepaalde Nederlandse instanties blijkbaar 'licht' wordt gedacht over het verstrekken van de asielstatus van asielzoekers aan de betrokken 'vreemde' overheden en de mogelijke gevolgen daarvan. Ter verzachting van de hierboven genoemde vaststelling schermt de Commissie vervolgens met 't non-argument dat 'bedacht moet worden dat er voor autoriteiten van de landen van herkomst, met name ambassades, mogelijkheden zijn om te achterhalen of betrokken vreemdeling asielzoeker is geweest, bijvoorbeeld door het betrokkene zelf te vragen'(Havermans:113). Om dit "verpakte goedpraten" voor het doorspelen van asielgerelateerde gegevens nog wat meer draagkracht te doen winnen meldt de Commissie vervolgens dat, conform de verklaringen van het ambassadepersoneel van de DRC in Nederland, men er toch van uit gaat dat de gepresenteerde Congolezen ex-asielzoekers zijn.
De bevindingen van de Commissie worden nog ongeloofwaardiger wanneer zij meldt dat, in tegenstelling tot de VreemdelingenPolitie (VP) en de Koninklijke Marechaussee (KMar), er bij de IND tot 26 oktober 2005 niet eens sprake was van een schriftelijke werkinstructie, waarin specifiek wordt aangegeven hoe met bepaalde documenten, zoals vingerafdrukbladen, moet worden omgegaan(Havermans:48), en dit ondanks het expliciete verbod op het verstrekken van asielgegevens, zoals verwoord in A4/6.2 van de Vc2000 (VreemdelingenCirculaire). Saillant detail in deze is dat de door de Commissie gehoorde IND-ambtenaren 'verklaarden alle van het uitgangspunt van het verbod op het verstrekken van asielgerelateerde informatie op de hoogte te zijn', en dit ondanks de afwezigheid van enige schriftelijke werkinstructie hieromtrent. Daartegenover verklaarden niet alle door de Commissie gehoorde Kmar-ambtenaren 'op dit punt in het verleden een expliciete werkinstructie te hebben gehad of dit tijdens de opleiding te hebben vernomen'(Havermans:48), en dit terwijl er voor de KMar wel degelijk een dergelijke instructie voorhanden is. Bovenstaande vaststelling in beschouwing nemende acht de Commissie het 'niet duidelijk' waarom de IND precies in deze een specifieke schriftelijk werkinstructie omtrent het expliciete verbod op het verstrekken van asielgegevens ontbeert, terwijl laatstgenoemde 'in de contacten met de buitenlandse autoriteiten zo'n prominente rol vervult'(Havermans:48). Ook in deze schermt de Commissie echter met administratieve onvolkomendheden en stelt dat 'de regelgeving op dit punt "achterloopt" bij de feitelijke actuele taakverdeling tussen VP, KMar en IND'(Havermans:48).
Bovenstaande in beschouwing nemende wordt een duidelijk patroon zichtbaar, waarin de door de Commissie vastgestelde, zorgwekkende haken en ogen met betrekking tot de interpretatie en toepassing van het hierboven genoemde expliciete verbod binnen de Nederlandse regelgeving op het verstrekken van asielgerelateerde informatie aan landen van herkomst binnen de Nederlandse overheidsdiensten, systematisch worden afgedaan als administratieve onvolkomendheden, "slordigheden" en bestuurlijke marginale foutjes. Men kan zich hierbij terecht de vraag stellen of de Commissie "Havermans" bewust deze strategie heeft gevolgd, of dat zij als buitenstaander de mogelijke zwaarwegende gevolgen voor de betrokken asielzoekers in deze vastgestelde schendingen van het asielrecht schromelijk heeft onderschat.
Wat er ook van zij, de Commissie heeft haar onderzoekswerkzaamheden wel degelijk gecorrumpeerd toen zij ontegensprekelijk de gedachtenlijn van "die instanties" is gevolgd, dewelke het doorspelen van asielgerelateerde gegevens van een andere orde beschouwt dan het doorspelen van inhoudelijke asielgegevens. Zo constateert de Commissie dat er geen sprake is geweest van de overdracht van inhoudelijke asielgerelateerde informatie door de Nederlandse overheid aan de Congoleze autoriteiten. Toegegeven, Netwerk had in haar uitzendingen van 21 juni en 18 oktober 2005 bij monde van getuigenissen van een viertal Congolezen gesuggereerd dat er inhoudelijke asielinformatie vanuit Nederland bij de Congoleze overheidsfunctionarissen terecht was gekomen. Bij nader onderzoek van het rapport "Havermans" blijkt deze glasharde conclusie echter te stoelen op slechts twee bronnen, zijnde de verklaringen van de gehoorde Congolees "P.", van wie de Commissie eerder toegaf niet 100 procent zeker te zijn dat het dezelfde persoon betrof als de persoon die in de Netwerk-uitzending aan het woord was geweest, en de verklaringen van een anonieme Netwerk-medewerker, die had aangewezen dat, ondanks intensieve inspanningen van de zijde van Netwerk, er geen inhoudelijke asielinformatie in de vorm van Gehoren in Congo is aangetroffen, als ontegensprekelijke bevestiging van eerstgenoemde.
De directe gevolgen van het rapport "Havermans" zijn inmiddels bekend. Een 'opgeluchte' Minister Verdonk was er als de kippen bij om, na de ontvangstname van het bewuste rapport op 9 december 2005, 't Nederlandse volk een rad voor de ogen te draaien en met enige stelligheid te verklaren dat zij de Tweede Kamer niet verkeerd had ingelicht, want, zo bleek 'overduidelijk' uit het rapport "Havermans": er was enkel sprake van administratieve 'slordigheden' en niet van overdracht van 'inhoudelijke' asielgegevens. In het daaropvolgende spoeddebat van woensdag 14 december volstond een kortstondig aantrekken van een inmiddels door dit kabinet afgedragen boetekleed om de regeringspartij D66 te sussen, om vervolgens -het boetekleed alweer afgeworpen- de vastgestelde feiten van het verstrekken van asielgerelateerde informatie door de Nederlandse overheid aan de Congoleze autoriteiten verder te bagatelliseren als 'slordigheden', 'foutjes' en ''t abusievelijk vinken hier en daar'. De door het rapport "Havcrmans" in grote lijnen aangereikte middelen daarvoor vormden in deze een voor Verdonk op maat gesneden schermmiddel.
Dat Verdonk het belang van het eerder genoemde expliciete verbod wel degelijk minimaliseert blijkt uit de schriftelijke verklaring van 9 december 2005 aan Tweede Kamerlid de Wit (SP), waarin ze stelt dat ze het uitzetten van asielzoekers doorzet, ook als mogelijk informatie over hen is doorgespeeld aan hun land van herkomst. Zij schermt hierbij met het gegeven dat de herkomstlanden conform de ambtsberichten als 'veilig' zijn verklaard. Wat betreft Congo, is het nieuwe ambtsbericht, waar Verdonk haar collega van Buitenlandse Zaken om had gevraagd naar aanleiding van de Netwerk-uitzending dd. 21 juni 2005, niet toevallig eveneens op 9 december naar buiten gebracht. Dit ambtsbericht van Buitenlandse Zaken beschrijft de situatie " voor zover deze van belang is voor de beoordeling van asielverzoeken van personen die afkomstig zijn uit de Democratische Republiek Congo en voor besluitvorming over de terugkeer van afgewezen Congoleze asielzoekers. "(Ambt.,#1, p.4, 23/09/05). In haar reactie steekt het onafhankelijke DocuCongo onder leiding van Congo-deskundige Mieke Rang haar afkeuren over dit nieuwe ambtsbericht niet onder stoelen of banken. Aan de hand van concrete voorbeelden legt DocuCongo de vinger precies op de al jarenlange etterende wonde, dewelke de opmaak en totstandkoming van de ambtsberichten behelst: een uiterst selectieve weergave van vergaarde informatie, waarbij alles wat niet in 't straatje past van het door de overheid gevoerde asielbeleid simpelweg achterwege wordt gehouden. Ook binnen vluchtelingenrechterlijke kringen heerst al langer de wetenschap dat de ambtsberichten van Buitenlandse Zaken precies op maat worden gesneden van 't gevoerde asielbeleid, doch tot op heden heeft de media hier geen aandacht aan willen besteden. DocuCongo verwoordt deze praktijk mijns inziens terecht in de volgende bewoordingen: "Men kan dat ook vervalsing noemen van informatie" (DocuCongo, al.2, 9/12/05).
Hierbij speelt nog de versterkende situatie dat aan de genoemde ambtsberichten binnen de besliscultuur van de IND evenals binnen de Nederlandse gerechtsgang standaard de hoogste waarde wordt toegekend. Andere bronnen, dewelke een ander, meer genuanceerd beeld geven of zelfs haaks staan op één of meerdere van de in de ambtsberichten beschreven aspecten worden praktisch altijd als secundaire bronnen beschouwd en leggen het dan ook vaak af in de uiteindelijke afweging van de IND/Rechter. Ondanks het gegeven dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in verscheidene individuele asielzaken herhaaldelijk deze praktijk heeft veroordeeld en Nederland heeft aangemaand de ambtsberichten als slechts één van de vele bronnen te beschouwen in haar afweging van het asielverzoek, blijft Verdonk dit naast haar neerleggen en blijft deze wanpraktijk tot op heden van toepassing.
Hoewel in de nasleep van het spoeddebat een motie van D66 werd aangenomen, dewelke de Minister verplicht tot het openbaren van de in de ambtsberichten geraadpleegde bronnen aan de Tweede Kamerleden, kan men nu al aannemen dat dit niet zonder slag of stoot zal gebeuren. De ambtsberichten zijn immers altijd gebaseerd op informatie van openbare en vertrouwelijke bronnen, en met name wat betreft laatstgenoemde bronnenmateriaal leert de ervaring binnen vluchtelingenrechterlijke kringen dat de IND daar graag mee schermt doch tegelijkertijd alle middelen aangrijpt om deze binnenskamers te houden.
Havermans-rapport, 143 p., december 2005 (PDF).
DocuCongo
Netwerk, verslagen uitzendingen
Joachim Detailleur woont en studeert in Leiden, werkte jarenlang als vrijwilliger in de functie van Afrika-landenspecialist bij Vluchtelingenwerk en deed onderzoek naar het Nederlandse vluchtelingenbeleid.
Andere recente artikelen:
Migranten en illegalen
21-11-2005 Revolte in Frankrijk
21-11-2005 Het Europa van de uitsluiting
21-11-2005 Alleen plichten en sancties
21-11-2005 Verdonk molenaar
15-07-2005 Antilliaanse jongeren en Verdonk
15-07-2005 ‘Op migratie is een linkse kijk nodig’
Reactie toevoegen