Wat individueel invoelbaar is, is nog niet maatschappelijk verantwoord

Iedereen zal bevestigen dat we alles op alles moeten zetten om mensen die lijden aan het leven, een uitweg te bieden uit dit lijden in plaats van een uitweg uit het leven. Maar als we heel eerlijk in de spiegel van onze maatschappij kijken, zetten we dan wel alles op alles? De vraag naar euthanasie kan niet los gezien worden van de kwaliteit van de samenleving, van de zorg en van de woon- en leefsituatie van ouderen. Is het vreemd dat ouderen met de huidige verpleeghuiszorg, waar velen onvoldoende zorg krijgen en als enige privacy een bed en een nachtkastje hebben, angst hebben voor de oude dag? Is het vreemd dat men in een maatschappij waar jong en productief als het hoogste goed wordt gezien, aan de ouderdom negatieve aspecten toekent en afhankelijkheid en teruggang in verstandelijke vermogens beleeft als ontluistering?

Ongelijke snelheden
In mijn ogen zit het maatschappelijk gevaar juist in het feit dat de ontwikkelingen zich voltrekken in ongelijke snelheden. De stijging van de algemene levensstandaard en de individualisering gaan snel. Wij zijn welvarender dan ooit, maar de standaard van de zorg en de aandacht voor de leefomstandigheden van veel ouderen blijven hier vér bij achter. Sterker, de zorg is behoorlijk achterop geraakt en vaak verre van menswaardig. En terwijl de zorg achterblijft bij de maatschappelijke ontwikkeling, loopt de euthanasiediscussie er juist op vóór.
Wat er dreigt te gebeuren, is dat we in de richting gaan van een maatschappij waarin wél sprake is van een recht op levensbeëindiging, maar géén recht bestaat op een menswaardige zorg. Vandaar mijn ongerustheid, die mede reden is tot terughoudendheid bij de verdere verruiming van de mogelijkheden van de toepassing van euthanasie.

Verruiming is niet zonder gevaar
Makkelijke antwoorden zijn er niet in de euthanasiediscussie. Verzoeken tot levensbeëindiging behoren tot de moeilijkste onderdelen van een artsenpraktijk, en ook voor de politiek is de kwestie heel lastig. Men moet kunnen kiezen voor een menswaardige dood op het moment dat het leven wordt gedomineerd door pijn en er geen enkel uitzicht meer is op genezing. Zo’n keuze in de stervensfase moeten we respecteren. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat ze daarbij professionele hulp krijgen. Ik heb dan ook geen enkele moeite met de uitgangspunten van het euthanasiebeleid van de afgelopen decennia, dat artsen een beroep kunnen doen op de noodsituatie bij uitzichtloos en ondraaglijk lijden en dat ze niet vervolgd worden als ze zorgvuldig hebben gehandeld.
Maar ik heb er wel moeite mee dat de criteria langzaam maar zeker worden opgerekt, bijvoorbeeld door het Chabot-arrest van 1994. De Hoge Raad bepaalde toen dat ook uitzichtloos psychisch lijden een grond voor euthanasie kan zijn, en dat is nu ook in de wet opgenomen. De koppeling met de stervensfase is dus losgelaten. Bij psychisch lijden is de ernst van de uitzichtloosheid echter veel moeilijker objectief vast te stellen dan bij lichamelijk lijden. Als de oorzaak van het lijden er niet meer toe doet, komt de arts die geconfronteerd wordt met een stervenswens van zijn patiënt voor grote problemen te staan. Indien hij geneigd is het recht op zelfbeschikking te respecteren, zal hij al gauw een ondraaglijk en uitzichtloos lijden aannemen.
Onlangs, met de uitspraak in de zaak Brongersma, ging de rechter nog verder. Brongersma leed aan het leven. Hij had het gevoel dat de dood hem vergeten had en hij vond verder leven ondraaglijk. De Haarlemse rechtbank vond in dit geval hulp bij zelfdoding gerechtvaardigd, omdat de vraag wat ondraaglijk lijden is, een subjectieve ervaring is. De aanwezigheid van psychische of lichamelijk aandoeningen is volgens deze rechter dus geen voorwaarde meer voor euthanasie. De Amsterdamse hoogleraar Schalken wijst er in de Volkskrant van 7 november naar mijn mening terecht op dat wanneer de criteria van ondraaglijkheid en uitzichtloosheid buiten het medische domein worden getrokken, zij hun normatieve betekenis verliezen, als onderscheid tussen wat het strafrecht wel en niet toestaat. In dat geval immers leveren de criteria van de Hoge Raad bijna altijd een excuus op om straffeloos aan de uitvoering van een suïcidewens mee te werken. Want sinds wanneer is ouderdom wel behandelbaar? Bovendien, stellen artsen terecht, als er geen sprake is van een echt medisch probleem verliest de arts zijn legitimatie om stervenshulp te bieden.
Een dergelijke verruiming is niet zonder maatschappelijke gevaar, omdat dit een ontwikkeling markeert waarbij het professioneel oordeel van artsen naar de achtergrond schuift, en plaatsmaakt voor het volledige zelfbeschikkingrecht van mensen om het moment van levensbeëindiging te bepalen. Natuurlijk kun je alleen zelf beslissen of je dood wilt. Maar we hebben het over euthanasie, hulp bij zelfdoding. Dat betekent dat er meer mensen bij betrokken zijn en dan vind ik dat je ook breder moet kijken dan alleen naar de wens van een persoon op een bepaald moment. In wat voor omstandigheden maakt iemand die keuze? Wat is de leefomgeving waarin die keuze wordt gemaakt? Kunnen en moeten we geen andere hulp bieden?

Geen normale optie
Er kan natuurlijk alle begrip zijn voor bepaalde individuele situaties en beslissingen. Dat heb ik ook. Maar het gaat erom dat de wetgever zich moet realiseren dat begrip voor die ene situatie al snel leidt tot algemeen beleid en mogelijk een ontwikkeling op gang brengt die ongewenst is. Of zoals Schalken opmerkte: dat wat individueel invoelbaar is, is nog niet maatschappelijk verantwoord.
Het citaat van More is niet gebruikt om een schrikbeeld neer te zetten. Ik wilde daarmee illustreren dat lang geleden al gedacht werd over euthanasie als optie, in bepaalde omstandigheden zelfs aan te bevelen optie. Zo’n vijf eeuwen later zullen gelukkig weinigen dat als utopie zien. Overigens bepleit geen enkele politieke partij de ultieme zelfbeschikking, zoals bijvoorbeeld de pil van Drion. Ook GroenLinks niet. Een eerdere uitspraak van Femke Halsema in een radiodiscussie met mij dat zij hier wel voor is, was op persoonlijke titel.
Na het euthanasiedebat in de Tweede Kamer besefte ik weer hoe buitengewoon moeilijk het is regels voor zoiets ingewikkelds als euthanasie op een goede manier vast te leggen. Soms denk ik wel eens: misschien kan dat ook helemaal niet. De beslissing wordt immers genomen in het ultieme contact tussen arts en patiënt, alleen zij zullen helemaal begrijpen waarom tot zo’n beslissing is gekomen. Toch zal de overheid in samenspraak met de samenleving de norm moeten stellen waarbinnen euthanasie aanvaardbaar is. Daarbij moet de vraag of er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, uitgangspunt blijven. En anderzijds moeten wij de morele plicht erkennen de samenleving zó in te richten dat voor iedereen een menswaardig leven mogelijk wordt en euthanasie geen normale optie is.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop