De huidige klassenstrijd: versnippering en crisis van de politieke vorm

Het is tegenwoordig in de mode om te beweren dat de klassenstrijd tot het verleden behoort, opgelost door de de-industrialisering, verspreid door versnipperde arbeidsmarkten, overschaduwd door identiteitsbewegingen en uitgeput, samen met de instellingen die haar ooit haar politieke vorm gaven. Vanuit dat perspectief lijkt de klasse haar prominente rol te hebben verloren en overleeft ze in het beste geval als een restcategorie van analyse. Dat oordeel is echter gebaseerd op een fundamentele verwarring: tussen de zichtbaarheid van de klassenstrijd en de structurele noodzaak ervan.

In plaats van de klassenstrijd te overstijgen, heeft het kapitalisme het strijdtoneel veranderd en geherstructureerd. Wat verzwakt is, is niet de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, maar veeleer de politieke en organisatorische vormen waardoor die tegenstelling destijds zichtbaar, duurzaam en doeltreffend werd.

De huidige crisis van de klassenpolitiek is dus geen crisis van afwezigheid, maar van herstructurering onder ongunstige omstandigheden. Om de klassenstrijd vandaag de dag te begrijpen, moet men uitgaan van die reorganisatie, in plaats van te blijven hangen in nostalgie naar vervlogen tijden of ons te verschuilen achter culturele verklaringen.

Het neoliberalisme en de hervorming van de klassenverhoudingen

Het neoliberalisme, dat vaak ten onrechte wordt gekarakteriseerd als een terugtrekking van de staat ten gunste van de markten, heeft geleid tot een ingrijpende hervorming van de staatsmacht, gericht op het hervormen van de klassenverhoudingen. Dat heeft geresulteerd in flexibele arbeidsverhoudingen, uitgeholde socialezekerheidsstelsels, strengere migratiebeleidsmaatregelen en vermarkting van openbare diensten.

In plaats van zich terug te trekken, heeft de staat zich juist intensief ingezet voor het leggen van de basis voor kapitaalaccumulatie en arbeidsdiscipline. Die hervorming heeft de vorm van de klassenstrijd veranderd, die zich niet langer beperkt tot de productiesector, maar zich heeft uitgebreid naar een breder sociaal terrein: huisvesting, schulden, zorg, gezondheidszorg, onderwijs, grenzen en politieoptreden.

Hierop hameren betekent niet dat we het belang van de strijd op de werkplek ontkennen, maar dat we erkennen dat uitbuiting en overheersing nu in het hele sociale leven zijn ingebed. De vraag is niet of er klassenstrijd bestaat, maar waarom die er niet in slaagt een blijvende politieke kracht te worden.

Informele arbeid als klassennorm

Informele arbeid wordt vaak behandeld als een beschrijvende toestand: de afwezigheid van contracten, regelgeving of zekerheid op de arbeidsmarkt wordt gezien als een overblijfsel van onderontwikkeling in het Globale Zuiden, of als een tijdelijke uitholling van voorheen stabiele werkgelegenheid in het Globale Noorden. Het gaat echter niet louter om een herstructurering van de arbeidsmarkt, maar om een vorm van klassenheerschappij (Breman, 2016). In een groot deel van het Globale Zuiden is informeel werk niet marginaal of van voorbijgaande aard, maar de dominante vorm van proletarisch bestaan. Historisch gezien hebben formele banen nooit gefunctioneerd als een universele norm die de sociale reproductie kon verankeren (Banaji, 2010). Werkgelegenheid is lange tijd tijdelijk geweest, waarbij een veelheid aan banen werd gecombineerd en verweven was met strategieën voor huishoudelijk overleven, kleinschalige productie van goederen, migratie en schuldenlast.

De neoliberale herstructurering heeft die toestand niet geïntroduceerd, maar juist versterkt. Tegenwoordig wordt de informele sector gestructureerd door het overheidsbeleid, met stedenbouwkundige regelingen die straatverkopers bestraffen, terwijl ze tegelijkertijd selectief worden getolereerd. De socialezekerheidsstelsels reguleren de bevolking zonder hun rechten te waarborgen, en de controle wordt uitgeoefend via de politie en regelgeving, in plaats van via arbeidswetgeving. Migratiebeleid creëert een grote en noodzakelijke arbeidskracht die in een precaire juridische situatie blijft. Informaliteit vertegenwoordigt dus regulering zonder bescherming, in plaats van een gebrek aan regulering.

In het mondiale Noorden neemt informaliteit een andere historische vorm aan, maar vervult ze een vergelijkbare functie. Het lijkt daar een proces van achteruitgang te zijn: onderaannemingsketens, fictief zelfstandig ondernemerschap, nulurencontracten, platformwerk en de uitbreiding van migratie- en geracialiseerde arbeidsregelingen. Vaak beschreven als een technologische revolutie of flexibiliteit van de arbeidsmarkt, is de realiteit een opzettelijke ontmanteling van de loonnorm. De institutionele afspraken die vroeger de arbeidsverhoudingen stabiliseerden – collectieve onderhandelingen, sociale voorzieningen en arbeidswetgeving – zijn ontmanteld, en de kosten en risico's van sociale reproductie zijn weer bij huishoudens en individuen neergelegd. Die fragmentatiestrategie belemmert collectieve onderhandelingen en verschuift de sociale kosten naar de gemeenschappen, wat op zijn beurt de collectieve macht van de arbeiders ondermijnt.

Ondanks het bestaan van lokale protesten en mobilisaties ontbreekt het aan organisatorische samenhang. De informaliteit versnippert niet alleen de arbeidsverhoudingen, maar ook de tijd, de ruimte en de juridische status. Het werk wordt onregelmatig, verspreid over verschillende locaties en vaak gecriminaliseerd of semi-legaal, wat de kosten en risico's van een duurzame organisatie verhoogt. Onder dergelijke omstandigheden wordt collectieve actie gedwongen tot korte mobilisatiecycli, waardoor het samenbrengen van mobilisaties structureel moeilijk is en niet zozeer politiek verkeerd gericht.

Klassenstrijd zonder loonstandaard

Hoewel de klassenstrijd zich altijd al buiten de werkplek uitstrekte, fungeerde de loonrelatie gedurende een groot deel van de twintigste eeuw als de belangrijkste organisatorische spil. Vaste banen, identificeerbare bazen, collectieve onderhandelingen en wettelijk erkende vakbonden vormden de materiële en institutionele basis waarop het conflict tussen arbeid en kapitaal kon worden veralgemeend. Tegenwoordig kunnen loonrelaties niet langer dienen als belangrijkste punt van politieke samenkomst. Arbeiders staan niet tegenover één enkele baas, maar tegenover een versnipperd geheel van tussenpersonen, algoritmen, gemeentelijke autoriteiten en sociale dienstverleningscentra.

De klassieke staking, hoewel nog steeds aanwezig, verliest haar vermogen om als universeel wapen te fungeren. Die transformatie depolitiseert de arbeiders niet, maar verplaatst de strijdtonelen. Die verschuiving leidt tot een toename van de conflictgebieden zonder een gemeenschappelijk institutioneel of organisatorisch anker te bieden. Strijd ontstaat gelijktijdig op het gebied van huisvesting, welzijn, zorg en werkgelegenheid, maar er bestaat geen mechanisme dat die fronten kan verbinden tot een verenigd verzet. Het resultaat is dan ook geen depolitisering, maar veeleer een versnippering van de politieke energie over losstaande fronten.

Het toenemende belang van de strijd om sociale reproductie komt ook tot uiting in de uitbreiding van wat is beschreven als ‘verbonden’ beroepsbevolking op het gebied van zorg, onderwijs, gezondheidszorg en dienstverlening (Vogel 1983; Fraser, 2016). Die arbeidskrachten vormen geenszins een van de kapitalistische heerschappij geïsoleerde sfeer, maar worden in toenemende mate onderworpen aan dezelfde eisen van controle, dekwalificatie en rationalisatie die de industriële arbeid historisch hebben getransformeerd. Managementtechnieken en digitale systemen meten, programmeren en reorganiseren nu systematisch de praktijken van zorg, emotionele betrokkenheid en menselijke verbondenheid, die lange tijd werden beschouwd als informele, gefeminiseerde en genaturaliseerde vaardigheden. Die verandering verheft de reproductie niet boven de klassenstrijd, maar versterkt die juist.

Naarmate het kapitaal waarde tracht te onttrekken aan arbeid, die onlosmakelijk verbonden is met menselijke interactie, worden de strijd om de werkdruk, de personeelsbezetting, de tijd en de professionele autonomie centrale vormen van de klassenstrijd. De politisering van de zorg is dus geen culturele verandering, maar een materieel gevolg van de steeds diepere penetratie van de accumulatie in de omstandigheden van de sociale reproductie. Zorgwerk is eerder exemplarisch dan uitzonderlijk. Soortgelijke processen doen zich voor in het onderwijs, de logistiek, de platformdiensten en het werk in de publieke sector, aangezien in al die sectoren relationele en tijdsgebonden capaciteiten steeds meer aan meting en controle worden onderworpen. De uitbreiding van dat soort werk duidt niet op een afname van het klassenconflict, maar op de uitbreiding van het kapitaal naar domeinen die voorheen gedeeltelijk beschermd waren tegen directe waardecreatie.

Identiteit, verschil en heropbouw van de klasse

De fragmentatie van de hedendaagse klassenstrijd wordt vaak toegeschreven aan de opkomst van identiteitspolitiek. De strijd rond ras, gender, kaste, migratie, seksualiteit of nationaliteit lijkt centraal te staan, waardoor de aandacht wordt afgeleid van uitbuiting en de klasseneenheid wordt ondermijnd. Voorstanders van identiteitspolitiek behandelen klasse als een identiteit onder vele andere, die niet langer in staat is om centrale eenheid te bieden voor politieke actie. Die standpunten identificeren het probleem verkeerd door een structurele toestand te verwarren met een vermeend cultureel geschil.

Natuurlijk speelt identiteit een cruciale rol in de arbeidsdeling en ongelijkheid in kapitalistische samenlevingen, en is het meer dan louter een ideologisch construct. Het draagt bij aan de segregatie van arbeiders op basis van gender, ras, kaste, burgerschap en legaliteit, wat leidt tot hiërarchieën die de accumulatie en controle van kapitaal bevorderen. Zo kunnen migrerende arbeiders bijvoorbeeld worden uitgezet; wordt het werk van vrouwen vaak beperkt tot zorgtaken of flexibele banen, en bekleden mensen die te maken hebben met discriminatie op grond van ras of kaste vaak de gevaarlijkste en meest gemarginaliseerde banen.

Het kapitalisme, als totalisering van de verschillende vormen van uitbuiting, absorbeert identiteit als een fundamenteel mechanisme van klassenheerschappij, in plaats van als louter een oppervlakkige marker van verschil (Hall, 1997; Poulantzas, 1978). Het probleem is dus niet identiteit als geleefde ervaring of als basis voor verzet, maar als politieke vorm los van de mechanismen van veralgemening. Als de strijd zich beperkt tot specifieke eisen, is die begrijpelijk voor de machthebbers, juist omdat hij de organisatie van de accumulatie als geheel niet bedreigt.

Op identiteit gebaseerde strijd is een integraal onderdeel van de klassenstrijd, aangezien die fungeert als reactie op specifieke vormen van overheersing, zoals gendergerelateerd geweld, raciaal gemotiveerde politiecontrole, kastenonderdrukking en uitsluitende burgerschapspraktijken. Het is echter nuttig om de politieke vormen te onderzoeken waardoor die identiteitsstrijd zich manifesteert. Onder neoliberale omstandigheden neigt die strijd zich te individualiseren en te worden bemiddeld via ngo’s en wettelijke kaders, waardoor de focus van collectieve oppositie verschuift naar kwesties van erkenning en inclusie. Ondanks de erkenning van verschillen blijven de onderliggende structuren die ongelijkheid in stand houden grotendeels ongewijzigd.

Die vorm van bemiddeling vertegenwoordigt een bewuste bestuursstrategie die sociaal conflict beheert en tegelijkertijd de bestaande accumulatie in stand houdt. De ‘ngo-isering’ gaat niet alleen door vanwege politieke naïviteit, maar ook omdat die aansluit bij de gedepolitiseerde, projectgebaseerde logica van neoliberaal bestuur. Door te opereren binnen de kaders van donoren en bestuurlijke mandaten, stabiliseren die vormen de logica van overleven en neutraliseren ze tegelijkertijd de tegenstelling, waarbij confrontatie grotendeels wordt vervangen door beheer en collectieve macht door vertegenwoordiging.

Door structurele overheersing te interpreteren als persoonlijke of groepsgerelateerde grieven, wordt het potentieel van bredere strijd beperkt, waardoor identiteit een teken van kwetsbaarheid wordt in plaats van een basis voor collectieve kracht. Dat leidt tot een schijnbare tegenstelling waarin, ondanks de toename van identiteitsstrijd en een grotere zichtbaarheid, de klassendynamiek statisch blijft. De arbeidersklasse lijkt verdeeld, niet door nieuwe verschillen, maar door een gebrek aan politieke organisatie. We moeten de fundamentele rol erkennen die identiteitsconflicten spelen bij de vorming van klassen, in plaats van ze af te doen als louter afleidingen van klassenkwesties.

Zonder een proces van herordening versterkt differentiatie de hiërarchie, waardoor identiteit een instrument wordt om de klassenheerschappij te reorganiseren in plaats van een middel om die uit te dagen. De huidige prominente rol van de middenklasse-identiteit – gevierd in het Globale Zuiden en betreurd in het Globale Noorden – mag niet worden geïnterpreteerd als een bewijs dat klassen zijn overwonnen, maar als een politiek gestuurde vorming die de angst voor status en ongelijkheid wegleidt van het kapitaal en naar gefragmenteerde, vaak reactionaire vormen van sociale identificatie.

Herstructurering als strategie

Een vernieuwd klassenbeleid kan die impasse niet oplossen door een beroep te doen op een abstracte eenheid of door te eisen dat specifieke strijdpunten ondergeschikt worden gemaakt aan een vooraf bepaalde klassenagenda. Klasse-eenheid is geen sociologisch gegeven, maar een politieke verworvenheid. Ze moet worden opgebouwd vanuit gedifferentieerde posities die door het kapitalisme worden voortgebracht. Dat vereist dat identiteitsstrijd wordt erkend als een diagnose – die onthult waar uitbuiting, onteigening en dwang het meest geconcentreerd zijn – en dat erop wordt aangedrongen dat de politieke horizon ervan niet beperkt mag blijven tot erkenning of vertegenwoordiging.

Herstructurering betekent in die zin niet dat verschillen worden uitgewist. Het betekent dat men zich ondanks de verschillen organiseert. Feministische strijd is gericht op het uit de markt halen van zorg en het socialiseren van reproductieve taken. De strijd van migranten werpt vragen op met betrekking tot grenzen, arbeidsdiscipline en imperialistische hiërarchieën. De antiracistische en antikastbewegingen leggen de dwangmechanismen bloot die het surplus en de informele arbeid beheren. Als ze zich op die manier veralgemenen, verdiept de identiteitsstrijd de klassenpolitiek in plaats van die te versnipperen.

Politieke accumulatie en politieke vorm

De bovenstaande analyse wijst op een schijnbare tegenstelling die de huidige conjunctuur kenmerkt. De klassenstrijd is wijdverbreid en vaak scherp. Informele arbeid, onteigening en dwingend bestuur genereren golven van terugkerende strijd op de arbeidsmarkt, in gemeenschappen en op het platteland. Die strijd komt echter zelden samen in de vorm van blijvende uitdagingen voor de kapitalistische macht. Mobilisatie komt vaak voor, maar sociale transformatie is zeldzaam. Het centrale probleem waarmee links vandaag de dag wordt geconfronteerd, is dan ook niet het ontbreken van strijd, maar het ontbreken van politieke vormen die in staat zijn de verschillende stukken strijd te bundelen en er een gemeenschappelijke betekenis aan te geven.

Politieke accumulatie verwijst naar het vermogen om de strijd te bestendigen tot na het moment waarop die uitbreekt, de eisen in alle sectoren te veralgemenen en de druk in de loop van de tijd te handhaven. Dat onderscheidt zich van mobilisatie als zodanig. Zonder accumulatie slagen zelfs intense en herhaalde strijdacties er niet in de krachtsverhoudingen tussen de klassen te veranderen. Dat probleem kan niet worden verklaard door een gebrek aan strijdbaarheid, bewustzijn of morele toewijding. Het kan evenmin uitsluitend worden teruggebracht tot repressie. Het heeft zijn wortels in de structurele omstandigheden, dat wil zeggen de fragmentatie van het werk, de verplaatsing van de strijd van de werkplek naar meerdere plaatsen van reproductie en de differentiatie van de arbeidersklasse op basis van identiteit, legaliteit en toegang tot middelen. Die omstandigheden genereren tegenstellingen en ondermijnen tegelijkertijd de mechanismen waarmee de tegenstelling kan worden veralgemeend.

Politieke accumulatie vereist bemiddeling (Bensaid, 1995). Ze is afhankelijk van organisaties en instellingen die in staat zijn de strijd tussen sectoren te verbinden, lokale conflicten te vertalen in algemene eisen en de confrontatie met het kapitaal en de staat in de loop van de tijd vol te houden. Onder de huidige omstandigheden zijn die vormen van bemiddeling zwak, afwezig of politiek niet op één lijn. Het resultaat is een wildgroei aan strijd die incidenteel, sectorgebonden of symbolisch blijft.

Een reactie op die impasse is het electoraal denken geweest. Geconfronteerd met de versnippering van de bewegingen en de afname van het organisatievermogen, hebben veel mensen binnen links electoraal succes beschouwd als een snelkoppeling naar de macht, waarbij organisatie werd vervangen door vertegenwoordiging en sociale krachten door politieke programma's. Electorale strategieën die losstaan van de organisatie van de klasse worden echter geconfronteerd met een vijandig staatsapparaat en georganiseerd kapitaal, zonder het vermogen om de krachtsverhoudingen te herstructureren. Als de electorale kansen verdwijnen, zoals vaak gebeurt, komt de onderliggende zwakte van de politieke accumulatie aan het licht.

Die vervanging is zelfs zichtbaar in de meest verfijnde hedendaagse debatten over de politieke ontkoppeling van de arbeidersklasse, met name in de Verenigde Staten, waar uitgebreid empirisch onderzoek de afname van de electorale steun voor sociaaldemocratische partijen onder arbeiderskiezers van alle rassen documenteert. Hoewel die analyses terecht culturele verklaringen verwerpen en de nadruk leggen op materiële eisen, behandelen ze de electorale heroriëntatie als het belangrijkste perspectief van de klassenpolitiek, waardoor de herstructurering wordt gereduceerd tot een probleem van communicatie, kandidaatsselectie of effectieve beleidsuitvoering. De intensiteit van dat debat is op zichzelf symptomatisch voor een dieper liggende organisatorische leemte: als duurzame vormen van klassenorganisatie zwak of afwezig zijn, wordt de electorale heroriëntatie het substituut waarlangs de crisis van de politieke accumulatie wordt geïnterpreteerd.

Een tweede reactie is het activisme geweest, de waardering van spontaniteit, horizontaliteit en voortdurende mobilisatie. Die oriëntatie erkent terecht de grenzen van de institutionele politiek en het belang van strijd buiten de werkplek. Maar zonder duurzame vormen van coördinatie en strategie heeft ze de neiging om intensiteit te verwarren met macht. Mobilisaties barsten los, genereren zichtbaarheid en verdwijnen vervolgens weer, waardoor de organisatorische capaciteiten niet sterker zijn dan voorheen.

Recente debatten binnen de arbeidersbeweging zelf weerspiegelen die impasse. Voorstellen die de nadruk leggen op het beïnvloeden van de logistieke kritieke punten in de toeleveringsketens – havens, magazijnen, transportcentra – erkennen impliciet dat de kapitalistische macht niet langer geconcentreerd is op één enkele werkplek of loonrelatie, maar verspreid is over netwerken van circulatie en reproductie. Die verschuiving richt de aandacht op nuttige wijze op de materiële infrastructuren waarlangs de accumulatie in het hedendaagse kapitalisme wordt georganiseerd. De strategische beperking van die benaderingen ligt echter niet in hun diagnose van waar de stakingen zouden kunnen plaatsvinden, maar in hun onvermogen om het probleem van de politieke accumulatie op te lossen.

Het vermogen tot mobilisatie leidt, zelfs als het nauwkeurig wordt aangestuurd, op zichzelf niet tot een duurzame organisatie of een brede klassenmacht. Zonder bemiddelende vormen die in staat zijn om incidentele mobilisaties te koppelen aan een aanhoudende collectieve strategie, loopt de mobilisatiekracht in logistieke centra het risico hetzelfde patroon te reproduceren dat de hedendaagse mobilisatie in het algemeen teistert: intensiteit zonder accumulatie en confrontatie zonder heropbouw.

Een derde vorm van bemiddeling is de ‘ngo-isering’, die vooral veel voorkomt in contexten van informalisering en terugtrekking van de staat. Ngo’s stabiliseren doorgaans de logica van overleven, verlenen hulp en verwoorden eisen in de taal van rechten en inclusie. Maar juist omdat ze opereren binnen beperkte institutionele mandaten, hebben ze de neiging conflicten te depolitiseren. Ze beheren de kwetsbaarheid in plaats van de accumulatie aan te pakken, waarbij ze structurele tegenstellingen vertalen in technische problemen of individuele gevallen.

Die reacties verschillen politiek, maar hebben een gemeenschappelijke beperking: ze vervangen het zware werk van klassenhervorming door gedeeltelijke vormen van bemiddeling. Geen enkele lost het probleem van de accumulatie op, omdat geen enkele de organisatorische capaciteiten herstelt die nodig zijn om het kapitaal en de staat als klasseactoren het hoofd te bieden.

De zwakte van de politieke vorm is dus niet toevallig. Ze weerspiegelt de historische ontwrichting van de arbeidersbeweging, de erosie van de partijen die geworteld zijn in de klassenorganisatie en de afwezigheid van nieuwe vormen die in staat zijn om te opereren binnen de nieuwe arbeidsregimes. Als deze vormen bestaan, blijven ze vaak beperkt tot specifieke sectoren of momenten, zonder dat ze zich kunnen veralgemenen.

Dat betekent niet dat de politieke vorm zomaar naar believen opnieuw kan worden uitgevonden. Vormen komen voort uit de strijd, maar geven ook vorm aan het verloop ervan. De huidige uitdaging is niet om de overgeërfde instellingen – vakbonden, partijen of fronten – te kopiëren zoals ze vroeger bestonden, maar om organisatievormen te ontwikkelen die productie en reproductie, formeel en informeel werk, burgers en niet-burgers met elkaar kunnen verbinden, zonder die verschillen tot abstractie te reduceren.

Het is van fundamenteel belang te benadrukken dat de staat niet kan worden behandeld als een neutraal instrument dat wacht om ingenomen te worden. Het is een centrale plaats van klassenmacht. Politieke accumulatie vereist daarom strategieën die de staat benaderen als een strijdtoneel, niet alleen als een domein van vertegenwoordiging. Zonder aanhoudende druk van georganiseerde sociale krachten reproduceert de staatsmacht de bestaande klassenverhoudingen, ongeacht de verkiezingsuitslagen.

Het voortduren van een gefragmenteerde strijd in combinatie met een zwakke accumulatie heeft geleid tot een wijdverbreide frustratie binnen links. Die frustratie komt vaak tot uiting in cynisme ten opzichte van de politiek of in ongeduld met de eigen organisatie. De huidige politieke accumulatie vereist een herordening van de gefragmenteerde sociale verhoudingen. Het vereist organisatievormen die op meerdere niveaus kunnen opereren, die verder reiken dan momenten van mobilisatie en die een algemene tegenstelling kunnen articuleren zonder de verschillen uit te wissen. Het is een veeleisende taak, en er zijn geen snelkoppelingen. Maar zonder het probleem van de politieke vorm direct aan te pakken, zal de klassenstrijd blijven uitbarsten zonder samen te komen, en zal mobilisatie een surrogaat blijven voor echte macht.

De heropbouw moet worden gezien als een historisch proces en niet louter als een organisatorisch ontwerp. Ze verloopt ongelijkmatig, wordt gekenmerkt door conflict, mislukkingen en gedeeltelijke vooruitgang, en wordt beïnvloed door de veranderende verhoudingen tussen productie, reproductie en staatsmacht. Elk duurzaam klassenbeleid zal voortkomen uit die tegenstellingen, en niet uit simplistische oplossingen. Er bestaat geen vastomlijnd plan voor die taak. Politieke vormen kunnen niet los van de strijd worden ontworpen, noch kunnen ze worden geïmproviseerd zonder rekening te houden met de omstandigheden waarmee ze te maken krijgen. Wat wel gezegd kan worden, is dat het probleem waarmee links vandaag de dag wordt geconfronteerd niet het ontbreken van klassenstrijd is, maar het ontbreken van krachten die in staat zijn die op grote schaal en in de loop van de tijd te organiseren.

Referenties

Banaji, Jairus (2010) Theory as History: Essays on Modes of Production and Exploitation (Historical Materialism). Brill.
Bensaid, Daniel (1995) Marx intempestif. Grandeurs et misères d’une aventure critique (XIXe – XXe siècles). Fayard.
Fraser, Nancy (2016) 'Contradictions of capital and care'. New Left Review, 100.
Hall, Stuart (1997) 'Race, Articulation and Societies Structured on Dominance', in Gates, N. (red.) Cultural and Literary Critiques of the Concepts of 'race'. Garland Publishing, Inc.
Poulantzas, Nicos [1978] (2025) Estado, poder y socialismo. Bellaterra Edicions.
Vogel, Lise [1983] (2013) Marxism and the Oppression of Women. Toward a Unitary Theory. Brill.

Sushovan Dhar is vakbondslid, activist van CADTM en van de Vierde Internationale in India.

Dit artikel stond op Viento Sur. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop