De term homonationalisme heeft de afgelopen twee decennia een grote theoretische vlucht genomen in queer-analyses, met name omdat hij inzicht biedt in de manier waarop de zogenaamde verdediging van LHBT-rechten door de Verenigde Staten, Israël en bepaalde Europese landen als voorwendsel kon dienen om imperialistische en neokoloniale interventies te rechtvaardigen.
De versnelling van een steeds autoritairder wordend kapitalisme, die gepaard gaat met de zorgwekkende opkomst van extreemrechts in alle uithoeken van de wereld, in de opkomst van mondiale en regionale hegemonen die de Amerikaanse wereldheerschappij betwisten, dwingen ons vandaag de dag om het homonationalistische fenomeen te plaatsen binnen een dynamiek van fascisering, om daaruit lessen te trekken voor werkelijk emancipatorische en internationalistische queer-strijd.
1. 'Progressief' neoliberalisme en de integratie van LHBT’ers in de kapitalistische orde
Het homonationalistische fenomeen past in een breder paradigma, dat de Amerikaanse filosofe en feministe Nancy Fraser samenvat onder de term ‘progressief neoliberalisme’, een politieke en ideologische configuratie die sinds ten minste de jaren 2000 in veel westerse landen de overhand heeft. De kern van de logica van dit ‘progressieve’ neoliberalisme is het ‘combineren van regressieve, liberaliseringgerichte economische beleidsmaatregelen met ogenschijnlijk progressieve beleidsmaatregelen op het gebied van erkenning’.
De politieke economie ervan steunt op een knooppunt van financialisering en globalisering, enerzijds door financiële deregulering en de hegemonie van de ‘vrije handel’ (in werkelijkheid het vrije kapitaalverkeer) anderzijds, waardoor de arbeidersklassen van verschillende landen met elkaar in concurrentie worden gebracht. Tegelijkertijd is de erkenning van minderheden gericht op een liberale opvatting van multiculturalisme, die alleen de nadruk legt op het verkrijgen van formele rechten of de oppervlakkige waardering van onderdrukte identiteiten, zonder te breken met de materiële grondslagen van de overheersing.
Dit fenomeen komt ongetwijfeld het duidelijkst tot uiting in de retoriek van politieke leiders (zelfs de meest rechtse) in de aanloop naar de Pride-maanden. Regeringen die het hele jaar door een offensief voeren tegen lonen en uitkeringen, sociale rechten afbreken, de arbeidsmarkt flexibiliseren, die zich in het bijzonder richten tegen de meest kwetsbaren (werklozen, mensen van kleur) en die de repressie tegen sociale bewegingen opvoeren, precies diezelfde mensen hullen zich één maand per jaar in de kleuren van de regenboog en benadrukken hun gehechtheid aan de vrijheid om te zijn wie je bent.
Diezelfde leiders die verantwoordelijk zijn voor de toenemende precariteit van de samenleving en onze gemeenschappen en die er soms niet voor terugdeinzen om de angst voor ‘wokisme’ aan te wakkeren om hun reactionaire agenda door te drukken, maken vervolgens misbruik van onze strijd om hun imago op te poetsen. Daarmee laten ze zien dat het meest agressieve neoliberalisme volkomen verenigbaar is met een opvatting van emancipatie die gebaseerd is op de formele inclusie van minderheden (op het gebied van gender, ras en seksualiteit) in het kapitalistische systeem.
Wat de LHBTI-strijd betreft, vormde die wil tot integratie in de kapitalistische orde in zekere zin het antwoord van de heersende klassen op de grote queer-strijd van de jaren zeventig, volgens de logica van een minimale opname van de aanvankelijk radicale eisen. Het fenomeen is bekend: om protesten te sussen en crises te boven te komen, ontdoet de heersende klasse de eisen van hun meest radicale aspecten, zodat ze verenigbaar worden met de sociale orde.
Wat de LHBTI-strijd betreft, hield dat in dat de eisen voor economische rechtvaardigheid en het verzet tegen gender- en seksualiteitshiërarchieën werden weggevaagd, om alleen de formele eisen voor erkenning en integratie in de cis-heteroseksuele normen over te houden. Die ideologie heeft zich geleidelijk doorgezet in talrijke landen van het mondiale Noorden en België is daar zeker een symbolisch voorbeeld van: het land dat graag verwijst naar zijn culturele tolerantie ten opzichte van LHBTI’s, of zijn vooruitstrevende wetgeving inzake LHBTI-rechten, terwijl het zich al decennia lang schikt in een meedogenloos en steeds autoritairder wordend neoliberalisme.
2. Het hoogtepunt en de ondergang van het homonationalisme
2.1. Wat is homonationalisme?
In het politieke en ideologische klimaat van dat 'progressieve' neoliberalisme ontstaat het fenomeen van het homonationalisme, een begrip dat in 2007 werd bedacht door de queer-theoreticus en cultuurwetenschapper Jasbir Puar, door de samenvoeging van twee termen: enerzijds homonormativiteit, wat onder meer verwijst naar de assimilatie van heteronormatieve idealen in de LHBTI-cultuur en de individuele identiteit en anderzijds nationalisme, dat wil zeggen een vorm van verheerlijking van het nationale gevoel, wat ertoe leidt dat de superioriteit van de eigen natie ten opzichte van andere naties wordt opgeëist.
Homonationalisme wordt dus gekenmerkt door een tweeledige beweging, die door Gianfranco Rebucini in het voorwoord bij de nieuwe Franse uitgave van Homonationalisme als volgt wordt samengevat: 'enerzijds de gedeeltelijke en voorwaardelijke integratie van bepaalde LHBTQIA+-subjectiviteiten (met name homoseksuelen en lesbiennes) in de nationale norm; anderzijds de gelijktijdige uitsluiting van andere figuren – de migrant(e), de moslim(a), de terrorist(e), de gesluierde vrouw, de arme en/of niet-witte queer of transpersoon' [1].
Als de heersende klassen de erkenning van LHBTI-identiteiten gaan verdedigen terwijl ze tegelijkertijd op sociaal-economisch vlak uiterst reactionaire beleidsmaatregelen doorvoeren, dan is dat enerzijds – en vrij simplistisch gezegd – omdat een dergelijke ideologie als afleiding fungeert: de extreme precarisering waarin LHBTI-mensen verkeren, wordt als het ware symbolisch 'gecompenseerd' door een verheerlijking van queer-identiteiten en door de erkenning van enkele formele rechten via hun integratie in de nationale gemeenschap; anderzijds, en meer fundamenteel, maakt die koppeling tussen seksuele erkenning en nationale soevereiniteit de creatie van een nieuw nationaal subject mogelijk. De invoering van een nieuwe nationale norm is erop gericht het idee van een morele en beschavingsmatige superioriteit van het Westen te construeren, gedefinieerd als zodanig ten opzichte van landen met een moslimmeerderheid.
Een dergelijke opvatting kan ook dienen om aanvallen op moslimbevolkingen (of groepen die als zodanig worden beschouwd) binnen de grenzen van westerse landen te legitimeren. Zo zal homonationalisme deels dienen om het interventionistische beleid van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten te rechtvaardigen, dat kenmerkend zal zijn voor de periode van de 'oorlog tegen het terrorisme' [2]. Vanuit dat perspectief is het begrijpelijk dat homonationalisme soms wordt gedefinieerd als een 'instrumentalisering door staten van LHBTI-rechten om racistisch buitenlands beleid te rechtvaardigen'; dat is waar, maar onvoldoende om de omvang van het fenomeen te beschrijven.
Homonationalisme beperkt zich namelijk niet tot het optreden van de staat alleen: hoewel het fenomeen natuurlijk het duidelijkst tot uiting komt in de agenda’s van de staat, met name in het buitenlands beleid, kan de homonationalistische configuratie echter alleen vorm krijgen door een stilzwijgende overeenkomst met een deel van het LHBTI-maatschappelijk middenveld, dat dergelijk beleid ofwel rechtstreeks ondersteunt, ofwel tolereert in de veronderstelling dat het toch bijdraagt aan de bevordering van de rechten van zijn sociale achterban (de witte LHBTI’s uit de middenklasse). Zoals Rebucini aangeeft: 'Homonationalisme is geen verticale oplegging, maar een netwerk van medeplichtigheid en gezamenlijke acties tussen staten, media, de markt en reformistisch activisme. Het gaat niet om de macht en de minderheden, maar om de macht samen met de minderheden. Het liberalisme creëert maatschappelijke vooruitgang juist door de deelname van de actoren van de emancipatie zelf' [3].
Een laatste centraal idee om dit concept van homonationalisme goed te begrijpen, is het historisch gesitueerde karakter ervan: de term is in de jaren 2000 in het leven geroepen, met name om de ontwikkeling van het Amerikaanse en Israëlische buitenlandse beleid te begrijpen en is onlosmakelijk verbonden met een tijdperk dat gekenmerkt werd door een triomferend liberalisme in het hart van de 'gelukkige globalisering' [4].
De huidige periode lijkt echter plaats te maken voor het 'begin van het einde' van de neoliberale contrareformatie ten gunste van een roofzuchtig, autoritair en meer openlijk imperialistisch kapitalisme, dat nog moeilijk definitief te benoemen en te karakteriseren is [5], temeer daar die ommezwaai zich op geografisch gedifferentieerde wijze voltrekt [6]. Het is dan ook niet meer dan logisch dat het homonationalistische fenomeen niet meer helemaal dezelfde prominente plaats inneemt op de agenda van de westerse mogendheden als in de jaren 2000 en 2010 en bovendien vandaag de dag samengaat met een heteronationalistisch fenomeen, waarop we later zullen terugkomen.
Samenvattend kunnen we homonationalisme definiëren aan de hand van vier kenmerken:
1. Het fenomeen ontstaat in de context van een 'progressief neoliberalisme', dat een reactionair sociaal-economisch beleid combineert met een beleid van erkenning van seksuele minderheden, met name homoseksuelen en lesbiennes, tegen de achtergrond van een triomferend liberalisme dat de markten deugden toeschrijft op het gebied van gelijkheid en inclusiviteit;
2. Homonationalisme verwijst meer specifiek naar de gedeeltelijke en voorwaardelijke integratie van een deel van de LHBT-gemeenschap (voornamelijk homoseksuele mannen en lesbiennes uit de middenklasse) in de nationale norm en sluit tegelijkertijd andere groepen uit, met name gemarginaliseerde queers en mensen van kleur. Homonationalisme is dus volkomen verenigbaar met trans- of queerfobisch beleid, zoals dat vandaag de dag soms het geval is (zie Trump);
3. Het homonationalistische fenomeen komt op paradigmatische wijze tot uiting in het buitenlands beleid van verschillende westerse landen in de jaren 2000-2010 (en met name de Verenigde Staten en Israël), die imperialistische interventies rechtvaardigen op basis van progressieve waarden met betrekking tot LHBT-kwesties (of feministische [7]);
4. Die situatie is het resultaat van een netwerk van samenspanningen tussen staten en bepaalde actoren uit het maatschappelijk middenveld, met name grote ngo’s en de grote queer-media.
2.2. Israël, het hoogtepunt van het homonationalistische beleid
Een treffend hedendaags voorbeeld is het geval van Israël, dat een 'gay friendly'-imago opbouwt en politiek gebruikt, terwijl het zijn moorddadige kolonialisme in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever voortzet en intensiveert. In enkele jaren tijd is de stad Tel Aviv uitgegroeid tot een belangrijke bestemming voor LHBTQ-toerisme, die wordt gepresenteerd als modern, feestelijk en tolerant. Deze ‘pinkwashing’-campagne wordt op grote schaal internationaal gevoerd, met name gericht op westerse homotoeristen, via communicatiecampagnes, evenementen zoals de Gay Pride, gesponsorde reizen voor influencers en dat allemaal met een aanzienlijk budget om het te realiseren.
Dit beeld moet echter worden genuanceerd [8]: er bestaat een kloof tussen deze internationale etalage en de sociale en politieke realiteit. Hoewel er daadwerkelijk vrijheden bestaan, met name in bepaalde stedelijke gebieden zoals Tel Aviv, is de situatie op nationaal niveau veel contrastrijker. De invloed van religieuze instellingen, het ontbreken van het burgerlijk huwelijk en de aanhoudende discriminatie tonen aan dat de LHBTI+-rechten beperkt blijven en ongelijk worden toegepast. Bovenal draagt dit verhaal bij aan het onzichtbaar maken van de situatie van Palestijnen, inclusief LHBTI-personen. De hypocrisie is groot: door zich te profileren als 'toevluchtsoord voor LHBTI+’ers', met name in de vorm van morele superioriteit ten opzichte van het Palestijnse volk en de buurlanden, lijkt een niet te verwaarlozen aspect te worden weggelaten… echte emancipatie van Palestijnse LHBTI+’ers is onmogelijk onder de bezetting en onder de bombardementen.
Naast toeristische marketing is er een duidelijke, gecoördineerde politieke strategie aan het werk. Zo probeert de koloniale staat enerzijds het kolonialistische en genocidale beleid dat het voert ten aanzien van de volkeren in het Midden-Oosten te doen vergeten en zich tegelijkertijd te presenteren als een liberale en progressieve democratie, met name in contrast met zijn buurlanden. Die enscenering draagt bij aan het versterken van een narratief waarin een 'modern' Israël wordt afgezet tegen een regionale omgeving die als conservatiever of repressiever wordt beschreven. Door LHBTI-rechten te gebruiken om zijn nationalistische en veiligheidsgerichte discours te versterken, is Israël een volmaakte belichaming van homonationalisme.
2.3. De crisis van het kapitalisme zet het homonationalisme onder druk
Terwijl het homonationalisme in de jaren 2000 en 2010 in de kapitalistische landen werd gedeeld door een breed politiek blok – van gematigd links tot liberaal rechts en zelfs een deel van extreemrechts – zet de radicalisering van het gehele politieke spectrum de homonationalistische retoriek vandaag de dag onder druk. De opkomst en het succes van een steeds openlijker LHBTI-fobisch discours, met name ten aanzien van transpersonen en in het bijzonder vrouwen, maken de strijd tegen het 'wokisme' tot een speerpunt van het late fascisme [9] om niet alleen links in het algemeen te verzwakken, maar ook de zogenaamde traditionele rechtse partijen te verzwakken. Hoewel het anti-woke-discours meestal expliciet gericht is tegen queers en mensen van kleur en niet tegen homoseksuelen en lesbiennes, staat het per definitie open voor de uitingen van een meer klassieke homofobie.
Onder druk van extreemrechts (en met name de groeperingen die zich openlijker beroepen op een fascistische afkomst), voelt een deel van traditioneel rechts, dat door het falen van de neoliberale oplossing zijn legitimiteit heeft verloren, zich vandaag de dag geneigd om aan te sluiten bij de meest reactionaire retoriek ten aanzien van queer-bevolkingsgroepen [10] om zo hun dominantie op het politieke toneel te behouden. Dit extreemrechts, dat openlijker LHBTI+-fobisch is, ondermijnt daarmee de homonationalistische consensus.
De afgelopen twintig jaar hadden talrijke extreemrechtse groeperingen, in een poging om hun imago te verbeteren, het homonationalistische momentum aangegrepen om modern en minder radicaal over te komen door de rechten van homoseksuelen en lesbiennes te verdedigen [11]. Hierdoor had die extreemrechtse beweging niet alleen de stemmen aangetrokken van homoseksuele en lesbische kiezers die op het politieke spectrum al rechts stonden, maar was ze ook geleidelijk geïntegreerd in de nationale norm en werd ze ‘omgangbaar’.
Die ommezwaai van extreemrechts naar homonationalisme verliep echter niet zonder tegenstrijdigheden, vanwege de historische LHBTI-fobe wortels van extreemrechts (met name in de nazi-variant) en mogelijke conflicten met een sociale achterban die veel homofober was dan de leiding. Die onopgeloste tegenstrijdigheden komen vandaag de dag tot uiting in de opkomst en ontwikkeling van nieuwe politieke krachten die een steeds openlijker LHBT-fobisch discours voeren, wat de homonationalistische eenheid aan de rechterzijde op de proef stelt. Het schoolvoorbeeld van een dergelijk fenomeen is de oprichting van Reconquête in Frankrijk, een partij die zich rechts van het Rassemblement National positioneert en met name een openlijk LHBT-vijandiger discours hanteert, ook ten aanzien van homoseksuelen en lesbiennes.
Deze trend weerspiegelt de tendens tot verruwing van de wereld tegen de achtergrond van een grootschalige crisis van het kapitalisme. De uitputting van het neoliberale model en het onvermogen van het kapitalisme om weer winstpercentages te behalen die bevredigend zijn voor de bourgeoisie, leiden tot een veel hardere sociale orde, waarin accumulatie koste wat kost moet worden gewaarborgd, zonder zich iets aan te trekken van ideologische rechtvaardigingen, ongeacht de menselijke en ecologische kosten.
In zekere zin is de dimensie van politieke erkenning (altijd gedeeltelijk en voorwaardelijk) van identiteiten die Fraser aan het neoliberalisme toeschreef, nu gedegradeerd tot een sentimentele gemoedstoestand in dit nieuwe tijdperk van het kapitalisme. In dit model is het niet nodig om een militaire interventie te verhullen met de regenboogkleurige praal waarmee het homonationalisme ons vroeger dwong ons te tooien: Donald Trump kan de legitimiteit van zijn offensief tegen Iran in februari 2026 op de meest cynische manier afkondigen, door de onderwerping van het land te eisen om de economische belangen van de Verenigde Staten te waarborgen.
Om precies te zijn: Trump kan van toon wisselen met een allesomvattende retoriek die van ideologische invalshoek verandert en de ene dag de verdediging van vrouwenrechten aanvoeren om zijn interventie in Iran te rechtvaardigen en de andere dag ironisch opmerkingen maken over de vermeende homoseksualiteit van de nieuwe Iraanse leider, terwijl hij tegelijkertijd aan de kaak stelt dat Iran homoseksuelen van hoge gebouwen gooit. De onvoorspelbaarheid die Trump tot zijn strategie heeft gemaakt, maakt het onmogelijk om daar stabiele politieke conclusies uit te trekken, maar de interventie van de Verenigde Staten in Iran geeft vrij duidelijk aan dat het homonationalistische discours duidelijk naar de achtergrond is verdwenen in vergelijking met wat er in de jaren 2000 speelde.
Hoewel het homonationalisme vandaag de dag nog lang niet dood is, maken de recente ontwikkelingen het voor rechts en extreemrechts steeds overbodiger om hun racistische beleid te rechtvaardigen. In een wereld die steeds gewelddadiger wordt, kan het gebruik van geweld tegen de randgroepen van de samenleving steeds meer steunen op de ontmenselijking van mensen van kleur. Het verschil met wat we klassiek homonationalisme zouden kunnen noemen, is dat dit latere homonationalisme de scheiding tussen respectabele homoseksuelen en lesbiennes (die op rechts of op extreemrechts, die zich in het openbaar niet al te veel laten zien, enzovoort) en de rest van de gemarginaliseerde queer-bevolking.
3. Heteronationalisme: de andere kant van de homonationalistische medaille
Hoewel het homonationalisme zijn oorsprong en hoogtepunt vond in de bevordering van het geglobaliseerde neoliberalisme dat zich nog steeds onder Amerikaanse hegemonie ontvouwde en met name vanaf de jaren 2000, zouden we kunnen stellen dat de opkomst en versterking van het heteronationalisme gepaard gaat met de periode die het einde markeert van de 'gelukkige globalisering' en de relatieve neergang van de Amerikaanse hegemonie. In tegenstelling tot het homonationalisme definieert het heteronationalistische fenomeen het nationale subject als heteroseksueel en sluit het homoseksuelen en lesbiennes uit van de nationale gemeenschap.
Bijgevolg worden LHBTI-personen in het beste geval getolereerd (maar onzichtbaar gemaakt), in het slechtste geval geëlimineerd, omdat ze worden beschouwd als parasieten binnen de nationale gemeenschap. Dit naast elkaar bestaan van een verzwakt maar in veel westerse mogendheden nog steeds structurerend homonationalisme en een heteronationalisme dat zich steeds verder uitbreidt, is kenmerkend voor ons tijdperk van omwenteling, dat wordt gekenmerkt door de opkomst van verschillende kanshebbers voor de verdeling van de wereld: de langdurige stagnatie van de winstmarge en de afname van de Amerikaanse wereldheerschappij vormen immers de achtergrond van een meedogenloze strijd om de hegemonie, die soms de kenmerken krijgt van een oorlog tussen beschavingen waarin seksualiteit een rol speelt als cultureel kenmerk.
De opkomst van China (waarvan de economie nu bijna even goed presteert als die van de VS [12]) in het hart van die herconfiguratie van het hedendaagse kapitalisme, gaat dan ook gepaard met een verharding op het gebied van LHBTI-kwesties. Het bewind van Xi Jinping, die sinds 2013 aan het hoofd van het land staat, ging dan ook gepaard met een steeds grotere onzichtbaarheid van LHBTI+-kwesties in de publieke ruimte, maar ook met censuur van de media. In zijn poging om zich te profileren als alternatief voor de Amerikaanse dominantie, verheerlijkt China een nationaal sentiment waarin cis-heteroseksualiteit een cruciale rol speelt. Om als een geloofwaardig alternatief voor de Verenigde Staten over te komen, vermijdt het Rijk van het Midden openlijk LHBTI+-fobe uitspraken en geeft het de voorkeur aan onzichtbaar maken en censuur.
Bij de regionale imperialistische machten zien we een veel explicietere verdediging van heteronationalisme, als directe reactie op het huidige of vroegere homonationalisme van hun Amerikaanse tegenstander. De paradigmatische uitdrukking van dit beleid vinden we vandaag de dag terug in het Rusland van Vladimir Poetin, maar ook in het regime van de mollahs in Iran, bij Javier Milei in Argentinië, tijdens de zestienjarige heerschappij van Viktor Orbán in Hongarije, of soms op een meer diffuse manier in het lesbofobe gezinsbeleid van Giorgia Meloni, bijvoorbeeld. Heteronationalisme speelt zich doorgaans af op het niveau van de beschaving, als reactie op de constructie van een zogenaamde LHBT-vriendelijke morele superioriteit van de westerse landen.
Waar homonationalistische staten trots waren op een beschavingsvoorsprong door homoseksuelen en lesbiennes in de nationale gemeenschap te integreren, stelt de heteronationalistische retoriek daarentegen dat juist die integratie het symbool is van hun verval. Je hoeft alleen maar te luisteren naar een toespraak van Poetin of Orbán, waarin ze de spot drijven met de ontaarding van westerse landen die gendervrijheid bevorderen, om die logica in werking te zien.
Ook moet worden opgemerkt dat het hoogtepunt van die zogenaamde ontaarding regelmatig wordt aangewezen in het fenomeen van de 'vervrouwelijking van mannen'. Dat wordt gezien als de kern van het verval, waartegen de figuur van de mannelijke man zou staan (waarin dus de sterke koppeling tussen gender en seksualiteit zichtbaar is). Ook de invloed van de nativistische ideologie (ontstaan in de 19e eeuw) van staten die door een zekere oorlogszucht werden gekenmerkt, mag niet worden uitgesloten: om oorlog te voeren zijn 'mannelijke mannen nodig die kunnen vechten en kinderen kunnen verwekken' en bijgevolg worden LHBTI-personen een obstakel voor de vorming van die strijdmacht.
Dat soort discours gaat overigens vaak gepaard met het idee dat LHBTI-identiteiten een import uit het Westen zouden zijn, een soort cultureel imperialisme dat wordt ingezet om de tradities van een samenleving te ondermijnen die van nature heteroseksueel zou zijn. Zo slaagt het Russische regime er bijvoorbeeld in om de meedogenloze onderdrukking van LHBTI’s in eigen land te rechtvaardigen als een anti-imperialistische maatregel ter wille van de nationale veiligheid. Het is hier niet de bedoeling te beweren dat homonationalisme de oorzaak zou zijn van heteronationalisme: Poetin of Orbán kunnen zich baseren op bepaalde LHBTI+-fobe tradities in hun eigen land om hun beleid te rechtvaardigen. Niettemin legitimeren homonationalistische buitenlandse beleidsmaatregelen in de ogen van de bevolking een heteronationalistische reactie, die zich vervolgens kan voordoen als een verdediging van de beschaving.
Heteronationalisme is niet het tegenovergestelde van homonationalisme, maar in zekere zin de andere kant van dezelfde medaille. De logica die seksualiteit aan nationale identiteit koppelt, is dezelfde, maar dan omgekeerd. Bovendien zijn de twee categorieën niet strikt gescheiden en kunnen de belangen van regimes die steunen op homonationalisme en heteronationalisme heel goed samenvallen ten koste van de volkeren, zoals blijkt uit de alliantie tussen Trump en Poetin om Oekraïne op te offeren en Europa te verdelen in onderworpen invloedssferen.
4. Een beleid ten gunste van de onderdrukten, antiracistisch en internationalistisch
Het besef van de gevaren en impasses van homonationalisme en heteronationalisme heeft talrijke gevolgen voor werkelijk emancipatoire queer-strijd. De eerste, de meest voor de hand liggende, is de gevaarlijke koppeling tussen seksualiteit en nationale identiteit te weigeren, om een werkelijk internationalistisch beleid te verdedigen, dat de emancipatie van alle LHBTI’s tot voorwaarde stelt voor de emancipatie van elk individu binnen de LHBTI-gemeenschap. Het opofferen van bevolkingsgroepen in andere landen – en daarmee ook de queer-mensen binnen die groepen – zal zich uiteindelijk altijd tegen ons keren, in de vorm van een autoritaire versnelling van de westerse democratieën of een heteronationalistische terugslag.
Een dergelijke koers plaatst ons uiteraard op afstand van het neoliberale homonationalisme, maar ook van de dwalingen van een bepaald zogenaamd ‘dekoloniaal’ links, waarvan sommige vooraanstaande figuren vandaag de dag een koers uitzetten die mogelijk dicht bij het heteronationalisme ligt. Die krachten hebben namelijk jarenlang de LHBTI-beweging scherp veroordeeld, die ervan werd beschuldigd vanaf het begin getekend te zijn door het stempel van witte overheersing en een agenda te verdedigen die ver afstaat van de zorgen van mensen van kleur.
Het belangrijkste argument van die benadering is dat kwesties rond gender en seksualiteit zouden zijn beschouwd als een westerse import die aan mensen van kleur wordt opgelegd, waarmee – niet zonder enige ironie – het kernidee van het homonationalisme wordt overgenomen, maar dan om het in diskrediet te brengen. Tegenwoordig rehabiliteren diezelfde 'dekoloniale' denkers het idee van de natie, in een verwarrende en gevaarlijke poging om de emancipatiestrijd een zogenaamd wenselijke betekenis te geven via een illusoir 'internationalistisch patriottisme'.
Die stroming probeert soms het beleid van criminalisering van LHBTQI-personen te bagatelliseren of te rechtvaardigen door zich aan te sluiten bij regeringsstandpunten: sinds 2020 zijn er nieuwe criminaliserende wetten ingevoerd in landen als Senegal, Burkina Faso, Ghana, Kenia, Niger, Oeganda en Mali. Paradoxaal genoeg was er aan het einde van de 20e en het begin van de 21e eeuw een beweging voor decriminalisering in Sub-Sahara-Afrika, die soms werd ingegeven door dekoloniale argumenten die erop wezen dat het in de eerste plaats de koloniale overheden waren die de criminalisering van homoseksuele relaties hadden ingevoerd. Veel van die landen worden beïnvloed door het Russische of Amerikaanse heteronationalisme via de bewegingen van de evangelische kerken.
Die twee tendensen samen (het uitsluiten van LHBTI-strijd uit een politiek van de onderdrukten en het verheerlijken van de natie als een wenswaardig ideaal) lopen het risico een nationaal heteroseksueel blok te doen ontstaan, dat weliswaar ‘transraciaal’ is, maar diepgaand LHBT-foob. Wij zijn daarentegen van mening dat een werkelijk emancipatoir beleid alleen hegemonie kan verwerven als het alle onderdrukten en uitgebuitenen omvat en weigert de traditionele klasse-onderdrukkingshiërarchie te vervangen door een nieuwe waarin ras aan de top van de sociale hiërarchie staat.
Die afwijzing van zowel homo- als heteronationalisme moet ook richting geven aan ons werk op het gebied van internationale solidariteit. Dat betekent bijvoorbeeld dat steun aan het Oekraïense verzet in de oorlog met genocidale trekjes die door Rusland is ontketend na de annexatie van de Krim in 2014 en op grote schaal in 2022, een absolute noodzaak is voor alle queer-strijd. Vandaag de dag vecht de Oekraïense bevolking met gevaar voor eigen leven tegen een fascistisch regime dat LHBTI-personen opsluit in werkkampen tot de dood erop volgt en dat zijn invasie overigens deels rechtvaardigt met anti-LHBTI+-religieuze motieven [13].
De uiterst zorgwekkende situatie van LHBTI-mensen in de door het Russische leger bezette gebieden moet ons overigens als waarschuwing dienen: een overwinning van Poetin zou niet alleen een moorddadig offensief tegen LHBTI-mensen in Oekraïne betekenen, maar zou ook een impuls geven aan alle extreemrechtse groeperingen (met name degenen die het meest openlijk LHBTI+-fobisch zijn) over de hele wereld. De overwinning van het Oekraïense volk zal daarom de overwinning zijn van alle queers. Onze solidariteit moet in het bijzonder gericht zijn op de LHBT-personen die hebben besloten zich bij het verzet tegen de invasie aan te sluiten, hetzij aan het front door zich bij het leger aan te sluiten, hetzij door solidariteitswerk in het maatschappelijk middenveld.
Op dezelfde manier moet onze solidariteit nu gericht zijn op de feministische en queer-strijd in Iran, met name de beweging Vrouwen, Leven, Vrijheid, die sinds 2022 strijdt tegen het bloeddorstige en reactionaire regime van de mollahs en zich nu verzet tegen de imperialistische agressie van de Verenigde Staten en Israël. Elke dubbelzinnigheid ten aanzien van het regime in Teheran, elk opofferen van de belangen van queer-mensen ten gunste van een geopolitieke agenda die de strijd van een zogenaamde 'as van het verzet' verheerlijkt, ondermijnt vandaag de dag volledig onze geloofwaardigheid in onze strijd voor de emancipatie van iedereen. De val van de Islamitische Republiek Iran is een doel voor LHBTI-mensen, niet door middel van een imperialistische interventie die zich niet eens meer hult in de vlag van het homonationalisme, maar door de strijd van arbeiders, vrouwen, queer-mensen en etnische minderheden tegen uitbuiting en alle vormen van onderdrukking.
Noten
1. Jasbir K. Puar, Homonationalisme. Contre la normalisation LGBT, Parijs, Editions Amsterdam, 2026, p. 14
2. Het boek van Puar is geschreven in 2007 en gaat dan ook uitgebreid in op de periode na de aanslagen van 2001, om aan te tonen hoe het homonationalisme zich in die periode heeft ontwikkeld en versterkt.
3. Jasbir K. Puar, op.cit., p. 18
4. Uiteraard is de globalisering nooit een zegen geweest, aangezien alleen het kapitaal het voorrecht had om ongehinderd grenzen te overschrijden, in een tijdperk van politieke verharding rond migratiekwesties. Bovendien is oorlog niet van de wereld verdwenen na de val van de USSR: de Golfoorlog in 1991, de genocide in Rwanda in 1994, de dertig jaar durende oorlogen in de Democratische Republiek Congo, de Russische invasie van Tsjetsjenië in 1999, om maar het laatste decennium van de eeuw te noemen. Tot slot wordt dat idee van een triomferend kapitalisme vóór de grote crisis van 2008 grotendeels weerlegd door marxistische economen, die opmerken dat het mondiale kapitalisme nooit echt zijn dynamiek van vóór de crisis van 1973 heeft herwonnen.
5. Veel auteurs proberen vandaag de dag verklaringen te geven om deze nieuwe periode te begrijpen. Laten we, zonder volledig te zijn, de volgende noemen: Arnaud Orain, Le monde confisqué. Le capitalisme de la finitude, Parijs, Flammarion, 2024; Quinn Slobodian, Le capitalisme de l’apocalypse, Parijs, Seuil, 2025; Romaric Godin, Le problème à trois corps du capitalisme, Parijs, La Découverte, 2026.
6. Hoewel het vandaag de dag duidelijk is dat Trump probeert de Verenigde Staten uit het neoliberale slijk te halen om ze in te schrijven in een (neo)mercantilistisch beleid met een vleugje libertarische ideologie, is Europa van zijn kant nog steeds sterk verankerd in het neoliberale model, deels omdat de essentie ervan (de beroemde verdragen die de basis vormen voor de oprichting en werking ervan) berust op neoliberale idealen.
7. Zie Sara R. Farris: Au nom des femmes. « Fémonationalisme » : les instrumentalisations racistes du féminisme, Parijs, Syllepse, 2021
8. Zie: Jean Stern, Mirage gay à Tel Aviv, Parijs, Libertelia, 2017
9. Alberto Toscano, Fascisme tardif, Parijs, La Tempête Editions, 2025
10. In België illustreren de 'anti-woke'-campagne van Bart De Wever (N-VA) of de advertentie van David Clarinval (MR) voor het transfobe roddelblad Transmania deze tendens goed.
11. Laten we hier in herinnering brengen dat in de meeste gevallen de extreemrechtse partijen in de verschillende parlementen zich hebben verzet tegen het verwerven van rechten voor LHBTI’s, met name het recht om een gezin te stichten (zie 2003 in België). De verdediging van homoseksuelen en lesbiennes was veeleer een retorisch proces dan een daadwerkelijke ideologische overtuiging.
12. Dit punt moet natuurlijk worden genuanceerd: de gigantische Chinese groeicijfers vertonen al enkele jaren een dalende trend, met name na de vastgoedcrisis van 2021; ten tweede blijft China achterlopen in bepaalde sleutelsectoren, met name op het gebied van kunstmatige intelligentie, deels als gevolg van de exportbeperkingen die de VS aan hun bondgenoten opleggen; ten slotte wordt het productieapparaat, met zijn structurele overproductie die het land dwingt het grootste deel van zijn goederen te exporteren, bedreigd door de protectionistische tijdgeest en de handelsoorlogen.
13. Zo ook Patriarch Kirill, die de oorlog voorstelt als een rechtvaardige strijd tegen een door homoseksualiteit verdorven Westen. En zie ook dit.
Laure Horlait en Madeleine Vibert zijn activisten van Gauche Anticapitaliste, onze zusterorganisatie in Franstalig België.
Dit artikel stond op Gauche Anticapitaliste. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen