Sinds het begin van het jaar vinden er in heel Syrië voortdurend demonstraties en stakingen plaats. De eisen variëren van het streven naar meer politieke participatie en democratische rechten, tot de veroordeling van de acties en schendingen door de Israëlische bezettingsmacht in de regio Kuneitra, en het recht op onderwijs in Sweida. De krant Kasioun telde tussen 18 en 24 mei 2026 34 bijeenkomsten en demonstraties in 21 plaatsen in verschillende provincies, steden, dorpen en universiteiten in Syrië. Op het moment van schrijven [16 juli 2026] gaan de protestacties nog steeds door.
Sinds begin 2026 is de onvrede over sociaal-economische problemen toegenomen. Volgens de website Syria in Transition was de mening over de huidige regering al in april 2026 verslechterd. De meest opvallende verslechtering deed zich voor in de perceptie van de economie en het vermogen van de staat om die te beheren: 'Gezien de stijgende kosten en de toenemende economische druk blijft het vertrouwen in de reactie van de regering laag. Slechts 13 procent van de respondenten is van mening dat de regering genoeg doet om de inflatie te bestrijden, terwijl 66 procent vindt dat de huidige inspanningen ontoereikend zijn.' [1]
De autoriteiten in Damascus hebben een economische koers versterkt die al onder het regime van Assad werd gevolgd: in plaats van voorrang te geven aan de productieve sectoren van de economie, met name de industriële en agrarische sectoren, geven ze prioriteit aan commerciële en andere activiteiten met een lage productiviteit die gericht zijn op winst op korte termijn. Het merendeel van de investeringsmogelijkheden die sinds december 2024 aan buitenlandse investeerders worden aangeboden, betreft toerisme, onroerend goed en financiële dienstverlening. Er werden ook beloften gedaan op het gebied van kritieke infrastructuur, maar die bleven relatief beperkt.
Tegelijkertijd is er geen bescherming geboden voor de lokale productie – waaronder de verwerkende industrie en de landbouw – tegen buitenlandse concurrentie. Integendeel: de regering heeft een beleid van handelsliberalisering gevoerd dat het voortbestaan ervan bedreigt. In januari 2025 verlaagde Damascus de invoerrechten op meer dan 260 Turkse producten, waardoor het handelstekort van Syrië met Turkije tegen het einde van het jaar opliep tot een recordbedrag van 3,26 miljard dollar, een stijging van 87 procent ten opzichte van 2024. [2]
De autoriteiten hebben ook wetgeving doorgevoerd die voorrang geeft aan investeringen door grote buitenlandse bedrijven en vermogende particulieren, terwijl de consumentendynamiek binnen de economie wordt gestimuleerd in plaats van de productiecapaciteit van het land te versterken.
Het voorgestelde nieuwe belastingstelsel, dat naar verwachting in 2027 van kracht zal worden, voorziet in een maximaal belastingtarief van 15 procent voor bedrijven, ongeacht hun omvang. Het nieuwe stelsel dreigt het vermogen van de staat om zijn belastinggrondslag te verbreden te verzwakken en is bovendien uiterst ongelijk.
Ook de nieuwe investeringswet, die vorig jaar van kracht is geworden, biedt investeerders belangrijke voordelen, zoals een permanente vrijstelling van inkomstenbelasting voor landbouw- en onderwijsprojecten, verlagingen van de inkomstenbelasting tot wel 80 procent in prioritaire en exportgerichte industriële sectoren en ruime vrijstellingen van douanerechten. Daarnaast hebben regeringsfunctionarissen herhaaldelijk verklaard dat ze van plan zijn staatsbedrijven en -activa te privatiseren, waaronder essentiële sociale diensten op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg.
Parallel aan dat beleid, dat economische liberalisering en het grootkapitaal begunstigt, hebben de autoriteiten een reeks maatregelen genomen die erop gericht zijn hun macht over de Syrische economie te concentreren en nieuwe netwerken van zakenlieden te creëren die banden hebben met de nieuwe heersende klasse.
Stakingen en volksdemonstraties
De protesten mobiliseerden diverse segmenten van de samenleving, waaronder vervoersmedewerkers, arbeiders, boeren, leraren, studenten, advocaten en bakkers, wat een weerspiegeling was van de groeiende onvrede in het hele land over de voortdurende uitholling van de koopkracht en de verslechtering van de openbare diensten. Ze richtten zich ook tegen corruptie, nepotisme en het gebrek aan transparantie en inspraak in besluitvormingsprocessen.
De protesten braken medio mei uit, eerst in Raqqa, Deir ez-Zor en Daraa en verspreidden zich vervolgens naar andere delen van het land, nadat het Syrische ministerie van Economie en Industrie de prijs van een ton tarwe voor het seizoen 2026 had vastgesteld op 4.600.000 Syrische pond (ongeveer 333,30 dollar tegen de onofficiële wisselkoers van 27 mei 2026, ofwel 13.800 Syrische pond voor 1 dollar) . Dat besluit heeft bij een groot deel van de boeren tot grote onvrede geleid, aangezien de productiekosten van een ton tarwe momenteel variëren van 340 dollar tot meer dan 530 dollar. Naar aanleiding van de protesten vaardigde interim-president Ahmed al-Sharaa wetgevingsdecreet nr. 120 uit, waarbij een bonus van 900.000 Syrische pond werd toegekend per ton tarwe die door boeren aan de Syrische Graanmaatschappij wordt geleverd. Dankzij die verhoging is de prijs van een ton tarwe gestegen tot ongeveer 5.500.000 Syrische pond (ongeveer 398,60 dollar), een prijs die nog steeds lager ligt dan de eisen van de demonstranten.
In dezelfde periode vonden nog andere protesten plaats, onder meer in het gouvernement Hasakah tegen de vermindering van de dieseltoewijzingen voor landbouwprojecten en in de regio Tarhin, een landelijk gebied nabij Aleppo, waar eigenaren en arbeiders van olieraffinaderijen protesteerden tegen het besluit om die definitief te sluiten. De demonstranten eisten ook een eerlijke vergoeding om een minimale levensstandaard te waarborgen, waarbij ze erop wezen dat duizenden gezinnen van die sector afhankelijk zijn.
In juni braken stakingen uit bij het particuliere bedrijf Zenobia Ceramic en bij de fabrieken van Madar Detergent in het gebied Al-Kisweh nabij Damascus, waar respectievelijk 4.000 en 4.500 mensen werkzaam zijn. De demonstranten eisten hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden. Na een staking van een week hebben de arbeiders van Zenobia verschillende van hun belangrijkste eisen binnengehaald, waaronder een loonsverhoging (bestaande uit een verhoging van 500.000 Syrische pond, naast 200.000 Syrische pond aan toeslagen voor de kosten van levensonderhoud, voor een totaal van 700.000 Syrische pond (gelijk aan 51,2 dollar eind juni) en garanties op het gebied van gezondheidszorg, waaronder een ziektekostenverzekering, de aanwezigheid van een arts in de fabriek, de beschikbaarheid van een ambulance en veiligheidsuitrusting op het werk. [3]
Arbeiders bij de grensovergang Bab al-Hawa ten noorden van Idlib protesteerden eind juni tegen de door het bestuur opgelegde 24-uursdienstregeling en oneerlijke arbeidsomstandigheden. Ondanks dreigementen van het bestuur met massale ontslagen en vervangingen om de staking te breken, hebben de arbeiders – van wie sommigen al 14 jaar dienst hebben – vastgehouden aan hun eisen voor een aanpassing van de werktijden. Volgens de website al-Hal Net 'heeft de directie al nieuwe arbeiders aangeworven, maar ongeveer 90 procent van hen heeft onmiddellijk ontslag genomen, omdat ze door de zware arbeidsomstandigheden en lange werkdagen niet konden doorgaan.' [4]
Ook in de stad Qamishli vonden eind juni meerdere dagen van protesten plaats tegen stijgende prijzen en slechte levensomstandigheden, evenals stroomonderbrekingen als gevolg van brandstoftekorten. Zo hielden de demonstranten een sit-in om te protesteren tegen de stijging van de dieselprijs. Ze eisten dat dat besluit zou worden teruggedraaid en dat hun levensomstandigheden zouden worden verbeterd, terwijl de regio te maken heeft met een sterke stijging van de prijzen van goederen en diensten, evenals met hogere transport- en productiekosten.
Tientallen gepensioneerden hielden op uitnodiging van de Solidariteitsgroep voor Gepensioneerden een sit-in voor het kantoor van de sociale zekerheid van de stad, om een versnelling van de uitbetaling van hun maandelijkse pensioenen te eisen en een einde te maken aan de vertragingen en het getreuzel die hun rechten aantasten. Na die protesten van gepensioneerden werd eind juni officieel de ‘Bijeenkomst voor gepensioneerden’ opgericht, met als doel de rechten van gepensioneerden op een waardig leven te verdedigen, met name door problemen met betrekking tot hun pensioenen en vertragingen bij de uitbetaling op te lossen.
De sit-ins en protesten vinden plaats tegen de achtergrond van een sterk stijgende inflatie in de noordoostelijke regio Jazira in Syrië, met stijgende transportkosten, landbouw- en grondstofprijzen, evenals aanhoudende klachten over verslechterende dienstverlening en frequente stroomonderbrekingen. Zo braken er half juni onlusten uit in het gouvernement Raqqa als gevolg van achterstallige salarissen en het blokkeren van de regularisatie van de status van duizenden arbeiders. Die protesten hebben geleid tot nieuwe stakingen die de afvalverwerkingssector in verschillende delen van het gouvernement hebben getroffen.
Onrechtmatige ontslagen en aanhoudende bezuinigingsmaatregelen
Tegelijkertijd gingen de ontslagen bij verschillende ministeries gedurende heel 2026 door. Dat leidde tot nieuwe protesten. Half juni hielden ontslagen arbeiders van de Compagnie Générale du Fil de Coton in Idlib een sit-in om gerechtigheid en herplaatsing te eisen.
De Syrische regering heeft nog steeds geen duidelijke, wettelijke en precieze normen en procedures vastgesteld voor ontslagen of schorsingen. Dat wakkert de beschuldigingen van willekeurige ontslagen aan. De mensenrechtenorganisatie Syriërs voor Waarheid en Rechtvaardigheid maakt zich ernstig zorgen over de vraag of die procedures in overeenstemming zijn met de wettelijke waarborgen die zijn vastgelegd in de Verenigde Basiswet voor Arbeiders nr. 50 van 2004 (artikelen 132 tot en met 139). Daarnaast heeft de organisatie in juni 2026 een rapport gepubliceerd waarin gevallen worden beschreven van willekeurige ontslagen en gedwongen overplaatsingen op basis van 'sektarische, politieke of gendergerelateerde criteria, of op basis van criteria die verband houden met het standpunt ten aanzien van de Syrische opstand van 2011 of regionale en sociale achtergrond'. Dat leidt tot ernstige bezorgdheid over het gebruik van het herstructureringsproces van de staat als instrument om de publieke sector op niet-professionele gronden uit te sluiten en te hervormen. [5]
Tegelijkertijd heeft de regering onlangs de salarissen voor bepaalde functies verhoogd, meestal voor het topmanagement of voor functies die als meer 'geschoold' of tot de 'functionele elite' behorend worden beschouwd, terwijl de overgrote meerderheid van de ambtenaren niet van soortgelijke maatregelen heeft geprofiteerd. Bovendien blijven er binnen dezelfde ministeries loonverschillen bestaan voor vergelijkbare functies, waarbij arbeiders die door de nieuwe autoriteiten zijn aangesteld hogere salarissen ontvangen (vaak in Amerikaanse dollars).
De autoriteiten in Damascus hebben het aantal uitgedeelde gesubsidieerde broden verder teruggebracht met 20 procent, terwijl de prijs op 4.000 Syrische pond is gehandhaafd. Het ministerie heeft het gewicht van een brood vastgesteld op 1.000 g, tegenover 1.050 g voorheen. Ter herinnering: in december 2024 bedroeg de prijs van gesubsidieerd brood 400 Syrische pond (voor 1.100 gram). Deze maatregelen hebben de voedselonzekerheid onder de meest kwetsbare bevolkingsgroepen verergerd.
Verzet tegen luxeprojecten en ontheemding van de bevolking
Tegelijkertijd zijn er verschillende protesten uitgebroken tegen woningbouwprojecten die hebben geleid tot de ontheemding van de lokale bevolking en het verlies of de uitholling van hun eigendomsrechten. In Homs slaagden bewoners van de wijk al-Qarabis erin druk uit te oefenen op het Koeweitse vastgoedontwikkelingsbedrijf Al-Omran om een deel van het 'al-Nasr Straat'-project te annuleren, dat naar verluidt gevolgen had voor de wijk, hun eigendommen in gevaar bracht en hen dwong hun huizen te verlaten.
Begin mei 2026 vond in Damascus een protest plaats, georganiseerd door bewoners van de wijken al-Mazzeh, Kafr Souseh en Basatin al-Razi, die werden getroffen door decreet nr. 66 uit 2012; enkele dagen later werden twee van de organisatoren gearresteerd. Dat getuigt van de aanhoudende sociale en juridische spanningen rond grote stadsontwikkelingsprojecten, waaronder het Marota Stad-project. Tegelijkertijd demonstreerden de inwoners van Jabal Aqil op het platteland van Aleppo tegen de inbeslagname van hun land door de Turkse militaire basis.
In dezelfde maand vond in het noorden van Raqqa een demonstratie plaats tegen het plan van de lokale autoriteiten om woningen ten noorden van de spoorlijn te slopen, onder het voorwendsel van 'wederopbouw en investeringen'. Die situatie is des te zorgwekkender omdat geruchten de ronde doen over een Saoedi-investering en de bouw van woningen door een Chinees bedrijf op dat terrein.
In officiële verklaringen wordt beweerd dat de grond 'staatseigendom' is. Dat betwisten de bewoners: ze zeggen over officiële overdrachtsdocumenten en juridische bewijsstukken te beschikken. Tijdens de demonstratie scandeerden de demonstranten slogans waarin ze het aftreden eisten van de gouverneur, die weigerde het wederopbouwplan in te trekken dat gevolgen heeft voor ongeveer 3.000 gezinnen, waarvan de meeste een laag inkomen hebben en in armoede leven. Ze bevestigden opnieuw hun vastberadenheid om een rechtvaardige oplossing te vinden die hun recht op huisvesting waarborgt en een einde maakt aan uitzettingen en sloopwerkzaamheden.
Over het algemeen zijn die vastgoedprojecten vaak gericht op een elite die zich nieuwe luxe woningen kan veroorloven en kapitaal kan vergaren, in plaats van op de ontwikkeling van huisvestings- en infrastructuurprojecten die tegemoetkomen aan de behoeften van een groot deel van de bevolking dat te maken heeft met verslechterende levensomstandigheden en afnemende koopkracht, tegen de achtergrond van torenhoge huurprijzen en vastgoedprijzen.
Een van de meest symbolische vastgoedprojecten is bijvoorbeeld Yaafour 963, gelanceerd door de Invest Group Overseas (IGO), eigendom van de Syrisch-Emiratische zakenman Muwaffaq al-Qaddah, waar appartementen worden aangeboden vanaf 300.000 dollar. Evenzo zal het Abyat Hills-project, gelanceerd door de Abyat Real Estate Investment and Development Company in de voorsteden Qudsi en al-Bajaa in Damascus, naar schatting meer dan 2 miljard dollar kosten en voorziet het in de bouw van 22.000 wooneenheden in beveiligde wooncomplexen die zijn uitgerust met moderne voorzieningen.
Daarnaast blijft het land kampen met een ernstig en steeds erger wordend tekort aan woningen en infrastructuur, wat een bedreiging vormt voor de stabilisatie- en herstelinspanningen, evenals voor de aspiraties van ontheemden en vluchtelingen op veilige en waardige leefomstandigheden en vooruitzichten op terugkeer. Volgens het Humanitair Responsplan 2025 is een derde van de woningvoorraad van het land beschadigd of verwoest, terwijl cruciale infrastructuur, waaronder wegen, water-, elektriciteits- en rioleringsnetwerken, grotendeels buiten gebruik blijft. [6]
De kosten van levensonderhoud blijven stijgen
De groeiende woede onder de bevolking getuigt van de rampzalige sociaal-economische situatie in het land. Het armoedecijfer in Syrië schommelt tussen de 80 en 90 procent en 16 miljoen mensen hebben noodhulp nodig om te overleven. Meer dan 7 miljoen mensen kampen met ernstige voedselonzekerheid. Bovendien heeft het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties, als gevolg van een aanzienlijk financieringstekort, medio mei 2026 aangekondigd dat het zijn activiteiten in Syrië zou terugschroeven door de noodvoedselhulp te halveren van 1,3 miljoen naar 650.000 mensen en door het nationale broodsubsidieprogramma te beëindigen dat dagelijks miljoenen mensen ondersteunde.
De arbeidsmarkt blijft onstabiel en de werkloosheid stijgt, vooral onder jongeren. Vanwege het gebrek aan nauwkeurige statistieken over werkloosheid in Syrië – als gevolg van het ontbreken van regelmatige en systematische arbeidskrachtenenquêtes – variëren de schattingen voor 2025 tussen 14 procent en 60 procent voor de jeugdwerkloosheid. Bovendien wijzen rapporten erop dat 83 procent van de Syrische arbeidsmarkt informeel is, zonder sociale en juridische bescherming, waardoor miljoenen arbeiders kwetsbaar zijn voor uitbuiting of plotseling inkomensverlies. [7]
De stopzetting of vermindering van subsidies heeft geleid tot een sterke stijging van de prijzen van basisgoederen en -diensten, wat bijdraagt aan toenemende inflatie en stijgende kosten van levensonderhoud voor Syriërs. Hoewel de regering de salarissen en pensioenen in de publieke sector in juli 2025 met 200 procent en in maart 2026 met nog eens 50 procent heeft verhoogd, waardoor het minimumloon op 1.256.000 Syrische pond per maand (ongeveer 114 dollar) is gekomen, blijft dat bedrag onvoldoende voor een behoorlijke levensstandaard.
Volgens het Syrische Centrum voor Beleidsonderzoek lag de extreme armoedegrens voor een gezin in april 2026 op 3,34 miljoen Syrische pond per maand (ongeveer 252 dollar volgens de wisselkoers van eind april), terwijl de onderste armoedegrens 5,26 miljoen Syrische pond (397 dollar) bedroeg en de bovenste armoedegrens 7,26 miljoen Syrische pond (548 dollar). [8] Vanuit dat oogpunt ontbreekt het de Syrische bevolking niet alleen aan werkgelegenheid, maar ook aan banen die hen in staat stellen een waardig leven te leiden en in hun dagelijkse behoeften te voorzien. In die context zullen de bezuinigingen op subsidies en de stijging van de prijzen van basisbehoeften de situatie alleen maar verergeren en het effect van loonsverhogingen tenietdoen.
Beperkingen van protestbewegingen
Protestbewegingen en pogingen tot zelforganisatie door arbeiders zijn positieve ontwikkelingen, vooral na jaren van oorlog en dictatuur. Zo hebben arbeiders van het bedrijf Zenobia een stakingscomité opgericht, bestaande uit vier leden die door de stakers zijn gekozen om namens hen te onderhandelen.
Ondanks de positieve aspecten van die gebeurtenissen blijft hun impact beperkt. Ten eerste blijven die protesten geografisch beperkt, zonder coördinatie tussen de regio’s, met als gedeeltelijke uitzondering de demonstraties in verband met de tarweprijs. Er is geen nauwe samenwerking tussen arbeiders binnen dezelfde sector, bijvoorbeeld tussen leraren in de publieke sector die in verschillende provincies protesteren. Hierdoor kunnen de autoriteiten in Damascus elke beweging afzonderlijk aanpakken en de invloed ervan op het politieke landschap beperken.
Ten tweede ontbreekt het de protestbewegingen aan politieke kanalen en uitingsmiddelen, voornamelijk vanwege het ontbreken van politieke partijen of politieke massanetwerken die in staat zijn hun eisen en oproepen tot actie door te geven. Bovendien besteden politieke actoren en het maatschappelijk middenveld, met uitzondering van enkele linkse partijen die de protesten weliswaar gadeslaan maar geen invloedrijke rol spelen, er niet de aandacht aan die ze verdienen.
In die context is het belangrijk te benadrukken dat de zelforganisatie van arbeiders en de strijd voor democratische, onafhankelijke en massale vakbonden – om de coördinatie tussen arbeiders en autonome machtige vakbonden te bevorderen – essentieel zijn voor het verbeteren van de levens- en arbeidsomstandigheden van de bevolking en, in bredere zin, voor de verdediging van democratische rechten.
Daarnaast is het van essentieel belang om volksorganisaties op te bouwen en te versterken – van vakbonden tot feministische en vrouwenrechtenorganisaties, lokale verenigingen, progressieve politieke partijen en nationale structuren – om ze te verenigen.
De collectieve en democratische organisatie van de volks- en arbeidersklassen is ook de beste manier om de religieuze en etnische spanningen, die de samenleving blijven beïnvloeden, het hoofd te bieden en te bestrijden. Die spanningen worden vaak aangemoedigd of aangewakkerd – of in ieder geval niet radicaal bestreden – door de centrale regering en/of haar politieke bondgenoten om de aandacht af te leiden van de sociale, economische en politieke problemen waarmee de bevolking te kampen heeft.
Zo vielen onlangs, tussen 13 en 17 juni 2026, protesten die 'gerechtigheid eisten voor de misdaden uit het Assad-tijdperk in Syrië' samen met een escalatie van aanvallen door burgergroepen en het aanzetten tot haat op basis van sektarische identiteit. De Syrische autoriteiten zijn er tot nu toe niet in geslaagd een mechanisme in te stellen ter bevordering van een alomvattend overgangsrechtsproces om alle personen en groepen die betrokken zijn bij oorlogsmisdaden voor het gerecht te brengen. Een dergelijke aanpak had een cruciale rol kunnen spelen bij het beteugelen van represailles en het afremmen van de escalatie van sektarische en etnische spanningen.
Conclusie
Elke politieke kracht die na de val van Assad aan de macht zou zijn gekomen, zou een veelheid aan politieke, sociale en economische uitdagingen hebben geërfd. Het beleid van de huidige Syrische autoriteiten heeft die moeilijkheden echter verergerd in plaats van ze op te lossen. Op economisch vlak heeft de aanpak van de nieuwe heersende klassen de levensomstandigheden van een groot deel van de bevolking niet verbeterd en heeft die een negatieve invloed gehad op het herstel van de productieve sectoren van de economie.
De toename van het aantal protesten sinds het begin van het jaar, aangewakkerd door verslechterende levens- en arbeidsomstandigheden en sociaal-economische problemen, getuigt van de tekortkomingen van het huidige economische beleid en zou als waarschuwing voor Damascus kunnen dienen.
Elk succesvol economisch herstel- en wederopbouwproces moet gebaseerd zijn op een democratische en alomvattende politieke transitie die de verschillende sectoren van de samenleving – politieke partijen, maatschappelijke actoren zoals vakbonden, beroepsverenigingen, de Boerenbond, mensenrechten- en feministische organisaties, lokale verenigingen, enzovoort – de middelen verschaft om deel te nemen aan besluitvormingsprocessen, ook op economisch gebied. Dat zou de noodzakelijke voorwaarden scheppen voor de integratie van hun collectieve belangen en het tot stand brengen van de politieke stabiliteit die essentieel is voor de duurzaamheid van het beleid. Daarom moeten er vrije en transparante verkiezingen worden gehouden binnen vakbonden, beroepsverenigingen en landbouwfederaties, zodat die sectoren hun vertegenwoordigers kunnen kiezen en de belangen van hun leden kunnen verdedigen.
Ten slotte moeten de processen van kapitaalaccumulatie en -verdeling, evenals het economisch beleid, het onderwerp zijn van een collectief debat binnen de samenleving en niet voorbehouden zijn aan een kleine heersende elite.
Noten
[1] Syria in Transition, april 2026.
[2] 'Syria’s Trade Deficit with Turkey (2010-2025)', The Syria Report, 17 februari 2026.
[3] Zenobia is een particulier bedrijf dat gespecialiseerd is in de productie van keramiek, graniet en bouwmaterialen. Het is gevestigd in de buitenwijken van Damascus.
[4] al-Hal Net, 23 juni 2026.
[5] 'The Unwritten Pass: Employment Exclusion and Discrimination in State Institutions During the Transitional Phase' Syrians for Truth and Justice, 8 juni 2026.
[6] 'Syrian Arab Republic: 2026 Humanitarian Needs and Response Plan (April 2026)', OCHA, 2 april 2026.
[7] 'Syria: Promoting decent work in time of transition', International Labour Office, juni 2026.
[8] 'Monthly Bulletin April', Syrian Center for Policy Research, april 2026.
Foto: Staking bij Zenobia, juni 2026. © Syrian Future Movement.
Joseph Daher is een Zwitsers-Syrische academicus en activist. Hij was docent aan de Universiteit van Lausanne, maar is ontslagen vanwege zijn activisme voor Palestina. Hij is lid van solidaritéS, onze zusterorganisatie in Zwitserland. Hij is auteur van Palestine and Marxism (Resistance Books, 2024); Syria After the Uprising: The Political Economy of State Resilience (Pluto, 2019); Hezbollah: The Political Economy of Lebanon's Party of God (Pluto, 2016).
Palestine and Marxism is te bestellen bij het IIRE.
Dit artikel stond op International Viewpoint.
Reactie toevoegen