De Chinese arbeidersbeweging is van strategisch belang voor de wereldwijde arbeidersklasse. Toch is er weinig informatie beschikbaar over haar strijd vanwege beperkingen die de regering oplegt aan de media en op arbeid gerichte organisaties.
Manfred Elfström is politicoloog en professor aan de Universiteit van British Columbia. Zijn onderzoek richt zich op arbeidsprotesten in China, de autoritaire reacties van de staat en hoe de strijd van onderop het overheidsbeleid heeft gevormd. Hij is de auteur van Workers and Change in China: Resistance, Repression, Responsiveness.
Elfström sprak met Serhii Shlyapnikov voor LINKS International Journal of Socialist Renewal over de recente arbeidersstrijd in China en wat die ons vertelt over de vooruitzichten op verandering onder een autoritair regime.
Hoe kwam u tot de keuze voor het onderwerp van uw boek, Workers and Change in China?
Voordat ik terugkeerde naar de academische wereld, werkte ik voor een non-profitorganisatie, China Labor Watch, en het International Labor Rights Forum (nu Global Labor Justice). Ik leidde een aantal van hun programma's in China en hielp lokale arbeiderscentra en vakgroepen arbeidsrecht in Chinese rechtenfaculteiten.
Het boek is voortgekomen uit mijn interesse in wat al die activiteiten hebben opgeleverd.
Kunt u ons iets vertellen over uw werk bij China Labor Watch? In landen zoals het mijne (Rusland) worden ngo's vaak gezien als buitenlandse agenten en met argwaan bekeken door de staat.
Ik werkte eind jaren 2000 en begin jaren 2010 bij China Labor Watch en het International Labor Rights Forum. In die tijd stond de Chinese regering wantrouwend tegenover buitenlandse en binnenlandse maatschappelijke organisaties die zich bezighielden met arbeidsvraagstukken. Maar ze nam niet zo'n harde houding aan als nu. Het was een periode van relatieve openheid, gekenmerkt door een buitengewone golf van arbeidsactivisme.
Misschien herinnert u zich nog enkele grote stakingen uit die tijd, zoals de staking in de Honda-fabriek in 2010, die de aandacht van de hele wereld trok. De arbeiders eisten niet alleen onbetaalde lonen of schadevergoeding voor letsels. Ze eisten ook loonsverhogingen – wat ik offensieve arbeidseisen noem.
Om die reden zag de Chinese regering het nut in van uitwisselingen met buitenlandse arbeidsdeskundigen om hen te helpen uitzoeken hoe ze die groeiende conflicten konden opvangen en beheersen, en om een juridische infrastructuur op te zetten voor het behandelen van arbeidsconflicten.
Ongeveer 15 jaar geleden voorspelde de Amerikaanse socioloog Beverly Silver dat China een wereldwijd epicentrum van arbeidsonrust zou worden. Als u terugkijkt, denkt u dan dat die voorspelling is uitgekomen?
Toen Silver dat schreef, was China een belangrijk centrum van wereldwijde arbeidsonrust. Er waren buitengewoon veel stakingen, protesten en rellen, zelfs als je rekening houdt met de grote bevolking van China.
Terugkijkend lijkt het erop dat er een piek was in het begin en midden van de jaren 2010, gevolgd door een geleidelijke afname. Ik zeg 'lijkt', omdat de gegevens erg fragmentarisch zijn. Degenen onder ons die stakingen in China bestuderen, zijn afhankelijk van sociale media en de beperkte berichtgeving van de staatsmedia over arbeidsconflicten. Onder [de Chinese president] Xi Jinping is zowel de berichtgeving op sociale media als in de staatsmedia over arbeidsconflicten sterk ingeperkt.
De andere factor is de covid-19-pandemie. China kende lockdowns die we hier in Canada niet hebben meegemaakt. Mensen mochten hun huis niet verlaten en er werden regelmatig verplichte tests uitgevoerd. Dat heeft allerlei activiteiten aanzienlijk beperkt.
Maar nu China de covid-beperkingen heeft opgeheven, lijken de stakingen weer enigszins toe te nemen. Direct na de beleidswijziging waren er stakingen van mensen die direct door de pandemie waren getroffen, zoals bezorgers, die een essentiële levenslijn werden voor mensen die in Shanghai in lockdown zaten, of mensen die persoonlijke beschermingsmiddelen produceerden.
Ik denk niet dat het niveau van activiteit hetzelfde is als in het begin van de jaren 2010, maar door het gebrek aan gegevens is het moeilijk om daar veel meer over te zeggen.
Kunt u ons iets vertellen over enkele van de belangrijkste stakingen van Chinese arbeiders in de afgelopen decennia?
De staking bij Honda is het vermelden waard. Die staking was dramatisch omdat jonge arbeiders ambitieuze eisen stelden voor hoge loonsverhogingen. En omdat Honda een just-in-time-productieproces hanteert, had de sluiting van de auto-onderdelenfabriek een domino-effect op de hele toeleveringsketen, wat leidde tot navolgende stakingen in andere autofabrieken.
In eerste instantie trad de officiële vakbond niet heel goed op, maar toen de gemeentelijke vakbond zich ermee ging bemoeien, kreeg het onderhandelingsproces brede steun en werd er niet overhaast geprobeerd de orde te herstellen, wat vakbonden in China vaak doen. Het hoofd van de gemeentelijke vakbond was een hervormingsgezinde functionaris. Er kwamen dus veel verschillende factoren tegelijk samen.
De staking vond ook plaats tegen de achtergrond van veel andere geschillen en discussies over nieuwe wetgeving voor stakingen, die er nooit is gekomen. En het gebeurde niet lang nadat in 2008 een golf van nieuwe arbeidswetten was aangenomen. Die omvatten de arbeidsovereenkomstwet, de wet ter bevordering van de werkgelegenheid en de wet inzake bemiddeling en arbitrage bij arbeidsgeschillen. Kortom, het gebeurde onder vrij uitzonderlijke omstandigheden.
De stakingen bij Honda kregen veel aandacht, maar daarna vonden nog verschillende andere opmerkelijke stakingen plaats. Slechts een paar jaar later brak er een grote staking uit in een schoenenfabriek in Dongguan. Die staking wordt beschouwd als een van de grootste stakingen in de moderne Chinese geschiedenis.
Andere opmerkelijke stakingen waren die van vrachtwagenchauffeurs en van havenarbeiders die als kraanmachinisten werken. Opvallend was dat die stakingen nationaal werden gecoördineerd. Stakingen in China blijven doorgaans beperkt tot één werkplek en verspreiden zich soms naar andere werkplekken. Maar ze verspreiden zich meestal niet op een gecoördineerde manier over verschillende regio's.
De laatste die ik wil noemen – het is niet echt een staking, maar een protestbeweging – waren de protesten bij de elektronicafabriek Jasic in 2018. Activisten waren uit de fabriek in Shenzhen gezet. Studenten van verschillende universiteiten – voornamelijk van linkse studentengroeperingen – kwamen naar Shenzhen en protesteerden namens de arbeiders.
Toen de beweging de gebruikelijke sociale grenzen overschreed, greep de regering hard in: studenten werden gearresteerd, studentenorganisaties werden opgeheven en mensen werden op hun campus in busjes geduwd. Rond die tijd lanceerde de regering een grote campagne tegen arbeids-ngo's en arresteerde ze verschillende prominente leiders van arbeids-ngo's.
Kunt u mij iets vertellen over de dataset over Chinese stakingen die u bijhoudt?
Ik ben in 2010 begonnen met het samenstellen van mijn dataset, die de periode 2003-2012 bestrijkt, de volledige ambtsperiode van Hu Jintao en Wen Jiabao. Ik heb informatie verzameld door middel van zoekopdrachten op websites van vakbonden en dissidenten, en via een meldingsformulier op mijn eigen website. Vervolgens heb ik mijn gegevens vergeleken met de stakingskaart van China Labour Bulletin vanaf 2010 en ontbrekende incidenten toegevoegd.
De dataset was nodig omdat de lokale officiële media nauwelijks aandacht besteden aan arbeidsactivisme en zich meestal beperken tot bouwconflicten en taxistakingen, die als minder bedreigend worden beschouwd. Berichten van staatsmedia volgen doorgaans een bekend stramien, waarin wordt bevestigd wat al bekend is en wordt gerapporteerd hoe de regering het probleem heeft opgelost. Grote incidenten kunnen in lokale en nationale media verschijnen, maar die berichten richten zich op het oplossen van problemen in plaats van op kritiek op de regering.
[De Amerikaanse politicologe] Maria Repnikova heeft de Russische en Chinese media met elkaar vergeleken en geconstateerd dat kritische journalisten in Rusland zichzelf als onderdeel van de oppositie zien, terwijl kritische journalisten in China optreden als constructieve insiders, die zich richten op het oplossen van problemen in plaats van het aan de kaak stellen van misstanden. De media framen arbeidsconflicten als lastige kwesties die de regering kan oplossen.
De beste bron over stakingen voor het decennium na het einde van mijn dataset is China Labor Bulletin en hun stakingskaart. Ik heb net het trieste nieuws gezien dat de organisatie wordt opgeheven. Dat is een groot verlies, zowel wat betreft gegevens over arbeidsactivisme in China als wat betreft hun belangrijke stem in Chinese arbeidskwesties.
In uw boek vergelijkt u arbeidsonrust in twee delta's, de Yangtze-rivierdelta en de Parelrivierdelta. Waarom hebt u voor die twee regio's gekozen?
Ik heb ze gekozen omdat ze in veel opzichten op elkaar lijken. Beide zijn welvarende, exportgerichte gebieden. In beide werken veel migrerende arbeiders in fabrieken en op bouwplaatsen. Ze verschillen echter ook aanzienlijk op het gebied van arbeidsonrust. Ze verschilden vooral tijdens de periode die ik heb bestudeerd. Sindsdien zijn de twee regio's enigszins naar elkaar toe gegroeid.
Mijn stelling was dat het verschil in arbeidsonrust zowel kwantitatief was – er waren meer stakingen en protesten in de Parelrivierdelta dan in de Yangtze-rivierdelta – als kwalitatief – de arbeiders in de Parelrivierdelta stelden ambitieuzere eisen en ontwikkelden meer geavanceerde organisaties.
Dat verschil leidde op zijn beurt tot verschillen in lokale overheden.
Kunt u die verschillen nader toelichten?
Er zijn structurele verschillen tussen de twee regio's die de verschillen in arbeidsactivisme verklaren. Guangdong [in de Parelrivierdelta] integreerde zich eerder in de wereldmarkt. Daardoor was er meer tijd om het activisme te laten rijpen. Bovendien was de regio over het algemeen gespecialiseerd in lichtere industrieën met een lagere toegevoegde waarde, terwijl de Yangtze-rivierdelta een meer hightech industriële basis had.
Een andere factor was dat arbeiders in Guangdong vaak van verder weg kwamen, terwijl ze in de Yangtze-rivierdelta uit de nabije omgeving of uit andere plaatsen in de provincies Jiangsu of Anhui kwamen. Dat droeg bij aan een grotere strijdbare houding van arbeiders in de Parelrivierdelta dan in de Yangtze-rivierdelta.
Maar mijn stelling – die door sommigen wordt betwist – is dat het cruciale verschil niet die structurele factoren waren, maar eerder de acties van de arbeiders zelf. Lokale autoriteiten hoefden werkplekken niet zo anders te beheren alleen omdat arbeiders van dichtbij of ver weg kwamen, of omdat fabrieken meer of minder hightech waren; ze beheerden ze anders vanwege de mate van arbeidsonrust.
Elektronica-arbeiders lijken centraal te staan in strategische technologiesectoren en export. Veel van hen zijn echter onderaannemers. Kunt u ons meer vertellen over die arbeiders en of ze inderdaad een strategische rol spelen?
Sommige elektronica-arbeiders hebben een strategische positie. Maar veel van hen doen echt basiswerk en repetitieve assemblagetaken, zoals het assembleren van iPhones of computers voor buitenlandse multinationals. Of hun positie hen een unieke invloed geeft, is echter moeilijk te zeggen.
In zekere zin hebben ze wel invloed, aangezien veel buitenlandse multinationals hun toeleveringsketens hebben gestructureerd rond China en een beperkt aantal belangrijke leveranciers. Zo is een groot deel van de iPhone-productie geconcentreerd bij Foxconn, een groot Taiwanees bedrijf dat enorme fabrieken in China exploiteert en ongeveer 200.000 arbeiders in dienst heeft. Het is voor Apple niet eenvoudig om die leverancier te vervangen door een andere.
Tegelijkertijd zijn die arbeiders vrij makkelijk te vervangen in vergelijking met arbeiders in meer hightechproductie. Zelfs sommige arbeiders in de kledingindustrie hebben vaardigheden ontwikkeld die moeilijker te vervangen zijn.
Onderaanneming is zowel een wijdverbreid fenomeen als een breder structureel probleem in de Chinese economie. Zelfs staatsbedrijven (SOE's) – die eind jaren negentig en begin jaren 2000 werden ingekrompen – bieden nu alleen nog maar een relatief kleine groep arbeiders zekerheid en stabiele banen.
In plaats daarvan zijn ze steeds meer afhankelijk van onderaannemers. Ze hebben een oudere, vaste personeelsbezetting die geniet van de voordelen die doorgaans met SOE's worden geassocieerd. Daarnaast zijn er nieuwere, meer precaire arbeiders, die via uitzendbureaus worden ingehuurd.
Je ziet dat ook in de bouw. Het conflict is hierdoor aanzienlijk verergerd, omdat grote bouwbedrijven – zowel particuliere als staatsbedrijven – vaak enorme projecten beheren. Ze besteden verschillende onderdelen uit aan onderaannemers, en die geven het werk weer uit aan anderen die naar het platteland gaan om arbeiders te zoeken, vaak uit hun eigen geboortedorpen.
Als iemand in de onderaannemingsketen failliet gaat of geld tekort komt, worden de arbeiders onderaan de keten vaak niet betaald. Dat is vooral ernstig voor de bouwsector, omdat arbeiders in die sector traditioneel het hele jaar door slechts een minimaal loon ontvangen.
Het grootste deel van hun loon wordt aan het einde van het jaar uitbetaald – net voordat ze naar huis terugkeren voor het Lentefestival, een van de belangrijkste feestdagen in de Chinese kalender. Vaak verdwijnt op dat moment het geld en komen de arbeiders in een zeer moeilijke situatie terecht. De situatie is de afgelopen jaren misschien enigszins verbeterd, maar het blijft een probleem.
Uw boek gaat over de invloed die gewone mensen kunnen uitoefenen op de staat. Kunt u daar iets meer over vertellen?
Er wordt aangenomen dat autoritaire staten minder responsief zijn ten opzichte van hun burgers dan democratieën. Die aanname bevat een kern van waarheid en geldt waarschijnlijk sterker voor bepaalde autoritaire regimes dan voor andere.
In sommige contexten kunnen verzetsvormen – of het nu gaat om protesten, stakingen of rellen – echter juist omdat er geen drukventielen zijn, zoals verkiezingen, en omdat elk protest als een ernstig probleem wordt behandeld, meer bereiken dan in meer open samenlevingen.
Zo zijn er in Canada of de Verenigde Staten vaak protesten tegen vervuilende chemische fabrieken of iets dergelijks. In China zijn er ook protesten tegen die fabrieken, en sommige hebben ertoe geleid dat projecten van miljoenen dollars in zeer korte tijd zijn geannuleerd. Alleen al het feit dat veel inwoners van een stad in actie kwamen, werd als voldoende belangrijk beschouwd om de lokale autoriteiten te dwingen het probleem op te lossen.
Meer in het algemeen onderzoekt mijn boek hoe arbeidsonrust – met name arbeidsactivisme – de Chinese staat en zijn capaciteiten zou kunnen hervormen. Het boek komt tot een gemengde conclusie. In sommige opzichten lever ik bewijs dat activisme ertoe leidt dat de staat meer gehoor geeft aan arbeiders.
In regio's met meer onrust – meer stakingen, protesten en rellen – neigen rechtbanken ertoe vaker in het voordeel van arbeiders te beslissen, of verdeelde uitspraken te doen in formeel berechtte arbeidsgeschillen. Er zijn ook tekenen van aarzelende hervormingen in de officiële vakbondsfederatie. Dat zijn allemaal positieve punten vanuit het perspectief van de arbeiders.
Maar de conclusie is gemengd omdat de staat in diezelfde regio's ook zijn repressieve capaciteit aanzienlijk heeft vergroot. Hij geeft meer uit aan veiligheidsdiensten.
Ik lever statistieken over de toegenomen uitgaven voor iets dat de Gewapende Volkspolitie wordt genoemd, een paramilitaire macht die na het harde optreden op het Tiananmenplein in 1989 een hogere status kreeg als onderdeel van de reactie van de staat op binnenlandse onrust. Het idee was dat die troepen de rol van het leger zouden overnemen bij het handhaven van de binnenlandse orde. De Gewapende Volkspolitie wordt gepromoot op plaatsen waar meer onrust heerst.
Kwalitatief gezien kan men ook onderzoeken hoe machthebbers reageren op individuele geschillen. In de Parelrivierdelta zijn stakingen en protesten genormaliseerd en vindt de regering niet langer dat ze zich in alle gevallen erin moet mengen – althans niet in dezelfde mate als voorheen. Bij spraakmakende incidenten treedt ze echter hard op tegen de organisatoren en de afgelopen jaren heeft ze zich gericht op burger- en arbeidersorganisaties in de regio.
Mijn bredere stelling is dat arbeiders het bestuur in China hervormen, maar dat ze dat tegelijkertijd in twee tegengestelde richtingen doen.
Welke lessen kunnen we leren van de Chinese arbeidservaring, gezien het feit dat het moeilijk is om basisorganisaties op te bouwen als stakingen worden neergeslagen en activisten worden gevangengezet?
Ja, het is moeilijk, vooral als je iets probeert op te bouwen en dat mislukt. Toen ik mijn boek schreef, stonden arbeids-ngo's in China al onder druk. Sindsdien is het grootste deel van die levendige wereld, vooral in het zuidoosten, verdwenen. Leiders van die organisaties werden ofwel vastgezet ofwel gewaarschuwd om zich niet meer met activisme bezig te houden. De meesten hebben het veld volledig verlaten, terwijl sommigen zijn overgestapt op minder politiek geladen werk, zoals het helpen van kinderen van migrerende arbeiders.
De organisatie van arbeiders is stopgezet, wat een groot verlies is. Die groepen waren begonnen zich te verwijderen van legalistisch werk en zich meer te richten op een bewegingsgerichte aanpak.
Dit is niet de eerste keer dat de arbeidersbeweging en het maatschappelijk middenveld in China te maken hebben met onderdrukking: eind jaren negentig en begin jaren 2000 vond een soortgelijke repressie plaats. Maar de huidige golf is bijzonder verwoestend geweest voor onafhankelijke arbeidersorganisaties.
Kunt u iets zeggen over de huidige situatie van Chinese vakbeweging, ngo's en linkse groeperingen?
Veel arbeids-ngo's in China sloten zich aan bij internationale netwerken voor arbeidsverhoudingen en rechtsstaat en streefden naar het opzetten van collectieve onderhandelingssystemen zoals die in Europa of Noord-Amerika. Sommige hadden een sterk links engagement, terwijl andere zich meer richtten op de bescherming van rechten vanuit een liberaler perspectief.
Vooral rond 2018 raakten jongeren betrokken bij arbeidsactivisme en namen ze deel aan marxistische leesgroepen. Die beweging werd echter zwaar onderdrukt.
In de jaren negentig ontstond Nieuw Links, dat zich onderscheidde van de Chinese liberalen en kritisch stond tegenover markthervormingen. Sommigen steunden het populistische programma van een partijleider in Chongqing, dat onder meer voorzag in huisvesting voor migrerende arbeiders en een nieuw landbeleid.
Onder Xi omarmden delen van links zijn staatkundige benadering, waaronder de nadruk op de staatssector en 'gemeenschappelijke welvaart'. Anderen blijven echter sceptisch.
Naar mijn mening lijkt Xi's agenda voor 'gemeenschappelijke welvaart' grotendeels symbolisch en ontbreekt het aan substantiële hervormingen van de sociale zekerheid of wijzigingen in het arbeidsrecht. Xi is hard opgetreden tegen activisten op de werkplek en zijn beleid lijkt meer gericht op het stimuleren van giften door bedrijven dan op echte structurele veranderingen.
Hoe heeft de nieuwe generatie arbeiders haar eigen arbeiderscultuur en solidariteitsbewegingen gecreëerd en gevormd, in vergelijking met eerdere generaties?
In de jaren negentig en begin jaren 2000 waren er in China twee duidelijk verschillende culturen van arbeiders. De ene was de cultuur van arbeiders van staatsbedrijven, geconcentreerd in het noordoosten en het binnenland, waar de zware industrie de ruggengraat van de staatssector vormde. De andere was de cultuur van migrerende arbeiders uit het platteland, die tijdelijk naar de zuidoostkust trokken om in de lichte industrie te werken. Die twee culturen waren heel verschillend.
Arbeiders van staatsbedrijven gebruikten vaak expliciet op klasse gebaseerde taal die was overgenomen uit het Mao-tijdperk. Migrantenarbeiders daarentegen hadden de neiging om hun eisen in meer legalistische en op rechten gebaseerde termen te formuleren. Een invloedrijk boek, Against the Law: Labor Protests in China’s Rustbelt and Sunbelt van Ching Kwan Lee, schetst dat contrast. Na verloop van tijd begonnen die grenzen echter te vervagen.
Beide groepen begonnen ambitieuze stakingen te organiseren met vergelijkbare eisen. Arbeids-ngo's leverden een gezamenlijke inspanning om een cultuur van zelfrespect en empowerment onder migrerende arbeiders te bevorderen. Ze moedigden arbeiders onder andere aan om zichzelf te zien als 'nieuwe arbeiders' of 'nieuwe stedelingen' in plaats van als plattelandsmigranten.
Ook bìnnen die groepen arbeiders zijn er generatieverschillen. Zo zijn verschillende generaties plattelandsmigranten naar kuststeden verhuisd om in fabrieken te werken.
Veel verslagen suggereren ook dat de oudere generatie zich sterk richtte op het sturen van geld naar hun huizen op het platteland, terwijl jongere generaties meer gesetteld zijn in de steden waar ze werken en zich minder verbonden voelen met het plattelandsleven. Ze hebben organische subculturen gecreëerd in fabriekszones, waar ze zich uitdrukken door middel van bijvoorbeeld opvallende kapsels en mode. Ze komen ook op nieuwe manieren samen en socialiseren binnen die industriële omgevingen.
Een vorm van arbeiderscultuur – vooral onder migrantenarbeiders – is poëzie. Er zijn enkele indrukwekkende dichtbundels geschreven door migrantenarbeiders. Tien jaar of langer geleden kregen enkele van die arbeiders bredere erkenning voor hun schrijven. Hun gedichten geven vaak een beeld van de harde realiteit van het leven in exportboomtowns en de tol die dat eist van hun lichaam.
Er is ook een belangrijke gaming- en onlinecultuur onder witte boorden personeel. We hebben een golf van verzet gezien tegen extreme werkdruk in Chinese technologiebedrijven, waarbij mensen zich organiseren op platforms zoals GitHub en andere forums om te protesteren of hun hart te luchten.
Kunt u meer vertellen over hoe u van plan bent om in uw komende boek de protesten in Appalachia in de Verenigde Staten en Noord-China met elkaar te vergelijken?
Ik bevind me nog in de beginfase van dat onderzoek. Appalachia is een belangrijke bron van steenkool in de VS, terwijl Noord-China de equivalent daarvan is in China. Beide regio's hebben een dramatische geschiedenis van volksprotesten.
In Appalachia waren er in het begin van de 20e eeuw enorme gevechten tussen vakbondsactivisten, bedrijfsmisdadigers en lokale autoriteiten. De grootste daarvan, in 1921 bij Blair Mountain, betrof ongeveer 8.000 gewapende mijnwerkers die door het bos marcheerden om een anti-vakbondsdistrict in het zuiden te bevrijden.
Ze werden aangevallen door hulpsheriffs met machinegeweren en zelfs gebombardeerd vanuit vliegtuigen die door sheriffs en eigenaren waren ingehuurd. Het was in wezen een kleinschalige burgeroorlog. De omvang en het geweld van het conflict waren buitengewoon. In de afgelopen decennia is er activisme geweest rond mijnbouw waarbij bergtoppen worden afgegraven.
In het noorden van China vonden in het begin van de 20e eeuw ook grote protesten plaats. Mijnbouw in de provincie Shanxi werd bijvoorbeeld geëxploiteerd door buitenlanders, met name Britten. Er ontstond een belangrijke beweging om die mijnen onder Chinese controle te brengen. In recentere jaren is er in Noord-China niet veel activisme geweest op het gebied van mijnbouw. In plaats daarvan was het activisme meer gericht op boeren, landbouwbelastingen en soortgelijke kwesties.
Beide regio's hebben moeite gehad om hun economie te diversifiëren. Mijn interesse gaat uit naar het vergelijken van de tactieken die in die situaties worden gebruikt en het evalueren van wat effectief of ineffectief is gebleken voor activisten. Conflicten over natuurlijke hulpbronnen zijn bijzonder omdat grondstoffenbedrijven enorme lokale macht uitoefenen.
Die conflicten kunnen soms aanzienlijke politieke gevolgen hebben, zoals te zien is in gebeurtenissen in het verleden in Rusland en Oekraïne, of in Groot-Brittannië en elders. Het doel is om enkele gemeenschappelijke patronen te belichten. Mensen beschouwen China vaak als een uniek geval, maar het kan waardevol zijn om het land in een bredere context te plaatsen.
Kunt u activisten wat literatuur aanbevelen over de Chinese arbeidersbeweging?
Er is een recent boek dat een goede samenvatting geeft van de huidige dynamiek in China voor een algemeen publiek. Het heet China in Global Capitalism: Building International Solidarity Against Imperial Rivalry en is geschreven door Eli Friedman, Kevin Lin, Rosa Liu en Ashley Smith.
Een ander boek is The Communist Road to Capitalism: How Social Unrest and Containment Have Pushed China's (R)evolution since 1949 van Ralph Ruckus. Het boek beschrijft de ontwikkeling van China in de afgelopen decennia.
Beide boeken zijn heel toegankelijk en hebben tot doel een breder publiek te betrekken bij discussies over waar China nu staat en hoe links dat moet interpreteren.
Ching-Kwan Lee's Against the Law biedt een sterke vergelijking tussen arbeiders van staatsbedrijven en de organisatie van migrerende arbeiders. William Hurst's The Chinese Worker After Socialism onderzoekt protesten onder arbeiders van staatsbedrijven en is ook het lezen waard.
Eli Friedman heeft nog andere nuttige boeken geschreven, zoals Insurgency Trap: Labor Politics in Postsocialist China, waarin hij vanuit een Polanyiaans perspectief bekijkt hoe de Chinese staat reageert – of juist niet reageert – op arbeidsactivisme.
De meeste van deze wetenschappers zijn gevestigd in Hongkong, Groot-Brittannië, de VS of Australië, maar er zijn ook belangrijke wetenschappers in China zelf, vooral op het gebied van arbeidsverhoudingen. Helaas worden hun werken niet altijd vertaald.
Dit artikel stond op Links. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen