Je kent het nog wel van toen je jong was en tegen de muren aankeek van de plaatselijke politiecel. 'Je hebt het recht te zwijgen. Alles kan, mag en zal tegen je gebruikt worden. 'Er zijn jongeren die aan sport doen. Die opmerking mobiliseert elke ordehandhaver. Er rinkelt een bel. Een bel? Alsof de Derde tot en met de Zevende Wereldoorlog op dezelfde dag uitbreken en daarna alle trouwe PvdCDVVD66A-stemmers in paniek aan de telefoonhangen. "Communistemoslimillegaleboot? Communistemoslimillegaleboot? Communistemoslimillegaleboot? O, een oorlog. Dan valt het nog mee. " Er rinkelt dus wat. De fout die ik nu maak bestaat uit slechts één woord, ongeacht de combinatie waarin ik het giet. Het is het woord ‘jongeren’. Tsja, er zijn jongeren die aan sport doen. Paniek, krantenkoppen, extrabulletin, jongerenalarm. Niet vanuit logisch perspectief, maar vanuit het politieke vergezicht. Want er is van alles aan de hand en dan vooral met onze toekomst. Uit een recent onderzoek bleek dat één op de drie jongeren niet aan sport doet! En dat leverde het nieuwe woord ‘bewegingsarmoede’ op, dat door de verantwoordelijke staatssecretaris in de mond werd genomen. Het gaat echt niet goed met De jongeren! De jongeren blijken geen aardappelen maar pasta te eten! De jongeren drinken veel! De jongeren zijn niet in politiek geïnteresseerd! De jongeren weten niet meer wat er op 3 maart 1654 gebeurde! En al helemaal niet op 15 april 1275! Eén op de drie doet niet aan sport dus. Ach, ik heb cijfers uit de jaren vijftig van de jongeren die nu niet meer jong zijn maar wel oordelen over de jongeren die nu jong zijn. Toen bleek tussen de 20% en 30% namelijk wél aan sport te doen. En nu 67%, dus door mijn wiskundige inzicht zie ik een groot verschil. Maar ja, die jongeren van nu toch. Maar ook ik wil klagen over het jonge spul van nu. Want realiseren die koters van nu wel hoe gezegend ze zijn aan het avondmaal, waar het voor mij een dagelijkse hel was? ‘Dat wil ik niet eten, jék!’ ‘Bek houden en vreten. De kindertjes in Afrika’ ‘Rot op met die kinderen. Ik vreet het niet.’ ‘Oh nee! En waarom dan niet?’ ‘Hier, biefstuk. Over vijftien jaar lig ik te schuimen in bed als ik dat nu eet. En daar, die groente. Volgens mij heeft daar een varken aangezeten. Dan krijg ik mond- en klauwzeer. Ik klaag je aan hoor, als je me dat laat eten.’‘’ ‘Patat daarentegen is goed. Ooit gehoord van de gekke frietziekte? En van een slagroomepidemie? Geef maar hier, dan blijf ik tenminste gezond.’ Brr, ik proef de spruitjes nu nog. Vuile stinkjongeren van nu! Weten niet wat eten wat de pot schaft is. Was het maar oorlog.
Reactie toevoegen