In Dit is fascisme poogt Rosan Smits, adjunct-hoofdredacteur van De Correspondent, om niet alleen te beschrijven wat fascisme is, maar ook om een aanzet te geven voor een antifascistische strategie. De geboden analyse schiet echter tekort en de politieke adviezen zijn tegenstrijdig.
De eerste vraag die opkomt bij het lezen van dit boek is natuurlijk wat fascisme is. Dat is een notoir moeilijk te beantwoorden vraag. De ideeën van fascisten zijn tegenstrijdig, net zoals hun sociale basis. De klassieke fascisten waren zelfverklaarde revolutionairen die rust en orde beloofden te herstellen, ze noemden zich vrienden van het volk en zagen zichzelf als een elite. Hun heilstaat zou tradities herstellen en tegelijkertijd een ‘nieuwe mens’ voortbrengen. De historicus Ian Kershaw omschreef proberen om fascisme te definiëren dan ook als ‘trying to nail jelly to the wall’. Dit is fascisme probeert dat probleem op te lossen door twee benaderingen te combineren.
De eerste is wat Smits noemt ‘de vijf stadia van een fascistische strategie’. Dat zijn: het ontstaan op een voedingsbodem van crisis en onvrede, de organisatie van een beweging rond een leider, het verwerven van toegang tot politieke macht via verkiezingen, het concentreren van macht in eigen handen door het afbreken van controlerende instanties, en ten slotte radicalisering of juist afbrokkeling van het regime. Smits zegt die benadering te ontlenen aan het werk van de historicus Robert O. Paxton, en vooral aan het vorig jaar in Nederlandse vertaling verschenen De Anatomie van het fascisme, oorspronkelijk verschenen in 2004. Die vijf stadia vormen echter geen strategie die fascisten min of meer bewust nastreven, het is, zoals Paxton benadrukt, een manier om fascisme te bestuderen.
Een beschrijving van de techniek waarmee die ‘strategie’ in de praktijk wordt gebracht ontleent Dit is fascisme aan Jason Stanley’s How Fascism Works (2018). Die methode zou bestaan uit tien instrumenten die samen typisch zijn voor fascisme: het idee van een glorieus en mythisch verleden, het gebruik van propaganda om vijandbeelden te creëren, anti-intellectualisme, het propageren van een ‘alternatieve waarheid’, hiërarchie, complotdenken, gendernormativiteit, een tweedeling van mensen in harde werkers en profiteurs, het denken in een tegenstelling tussen het platteland (goed) en de stad (slecht), en het gebruik van openbare machtsmiddelen als de politie en justitie. Het is op basis van dat model dat Smits allerlei vormen van extreemrechts, van Wilders tot Trump, onder ‘fascisme’ kan scharen.
In dat fascisme-model wordt veel aandacht gegeven aan de rol van propaganda in de zin van bewust en systematisch liegen. In vooral academische analyses van de opkomst van extreemrechts bestaat nog weleens huiver om de rol van demagogie en propaganda sterk te benadrukken. Vaak zijn dergelijke analyses sterker in het verklaren waarom veel mensen zich afkeren van traditionele partijen, bijvoorbeeld als gevolg van de uitholling van politieke besluitvorming in neoliberale samenlevingen, dan in verklaren waarom juist extreemrechts als gevolg daarvan groeit. Maar als dat tweede deel ontbreekt kan de indruk ontstaan dat extreemrechtse ideeën zoals racisme en hang naar autoritaire leiders op spontane wijze en vanzelfsprekend populair zijn. Precies zoals extreemrechts zelf claimt. Om het succes van extreemrechtsrechts te verklaren is een analyse van propaganda essentieel. Maar in Dit is fascisme is propaganda niet alleen een belangrijk deel van de verklaring voor het succes van extreemrechts, gelieg zou fascisme definiëren.
Om de manier waarop fascistische propaganda werkt te illustreren citeert Smits uit Hitler’s Mein Kampf. De citaten in kwestie zullen veel lezers bekend voortkomen van bijvoorbeeld sociale media. Het eerste citaat is; ‘Eerst vindt men dat stompzinnig en onbeschaamd, vervolgens verontrustend, maar uiteindelijk gelooft men je’. Volgens Smits gaat dat over het gebruik van leugens, hoewel Hitler het hier heeft over de noodzaak van propaganda om zich te beperken tot een klein aantal thema’s en die eindeloos te herhalen. Het tweede citaat gaat over de Grote Leugen, wat Smits beschrijft als ‘een bewering die zo grotesk is dat mensen aannemen dat er wel iets van waar moet zijn – juist omdat niemand zoiets compleet uit zijn duim zou durven zuigen’. Volgens Hitler laat ‘de schaamteloos grove leugen altijd sporen na, zelfs als die definitief is ontmaskerd’. De context hier is dat Hitler het heeft over zijn joodse en marxistische tegenstanders (de twee waren voor hem natuurlijk min of meer synoniem). Juist zij zouden de Grote Leugen techniek gebruiken.
Die citaten zeggen vooral iets over het wereldbeeld van Hitler en welke principes volgens hem nodig zijn voor effectieve propaganda. Maar verklaren ze ook hoe fascisme aan de macht kan komen? Het is een onsmakelijke werkje maar het plaatsen van die citaten in de context van de rest van Mein Kampf is onthullend. Volgens Hitler is de Grote Leugen techniek effectief omdat ‘het gros van het volk zozeer vrouwelijk is ingesteld, dat zijn daden en gedachten eigenlijk veel meer door het gevoel dan wel door nuchter overleg worden bepaald’. De Grote Leugen werkt omdat ‘de grote massa door de primitiviteit en simpelheid van haar gemoed eerder in een grote dan in een kleine leugen kan geloven, omdat ze zelf immers wel eens een kleine leugen vertelt, maar zich toch voor te grote leugens al te zeer zou schamen.’ De Grote Massa wordt geleid door emoties, is simpel van geest, kortom ‘vrouwelijk’ en daarom ontvankelijk voor propaganda. Aldus Hitler.
Dat verklaart het succes van de Nazi’s en andere fascisten niet. De NSDAP had een massa-aanhang waarin specifieke hoogopgeleide groepen juist oververtegenwoordigd waren. Zo steunden veel studenten, een ‘elite’, in de dagen vóór de opkomst van massaal hoger onderwijs, de Nazi’s en van alle beroepsgroepen waren het bij uitstek artsen die de Nazi’s steunden. Artsen deden dat niet uit onwetendheid maar omdat de racistische en eugenetische opvattingen van de Nazi’s met wijdverspreid ‘wetenschappelijk inzicht’ overeen kwamen. Groepen die minder ontvankelijk waren voor Nazi-ideeën behoorden juist vaak tot de laaggeschoolde arbeidersklasse. Niet omdat arbeiders ‘van nature’ antifascist zouden zijn, maar omdat ze in Duitsland vaak georganiseerd waren in antifascistische, communistische en sociaaldemocratische, stromingen. De teloorgang van dergelijke tegenculturen heeft bijgedragen aan het ontvankelijk maken van brede delen van de bevolking voor extreemrechtse opvattingen.
Extreemrechtse propaganda is en was gevuld met leugens, maar dat zijn leugens die in dienst staan van wat fascisten zien als een hogere waarheid, zoals ‘nationaal belang’ of ‘het ras’. Paxton vatte dat treffend samen: de waarheid is alles wat de fascist en hun ‘volk’ (‘ras’, ‘natie’) doet zegevieren. Vandaar ook de bereidheid van fascisten om de overduidelijke leugens van hun leiders te accepteren; die staan immers in dienst van die ‘hogere waarheid’. Fact-checking helpt daar niet tegen, hoe zeer Smits ook pleit voor het plaatsen van ‘de feiten’ tegen propaganda.
Het grote probleem in de analyse van Smits (en die van Jason Stanley) is dat ze fascisme niet ziet als een politieke stroming maar slechts als een techniek. De samenwerking van ‘fatsoenlijk’ rechts met fascisme word gezien als opportunisme, niet als een politieke keuze van rechtse krachten die het met elkaar eens zijn dat links het grootste kwaad is. Je zou haast willen dat fascisten ‘slechts’ gewetenloze opportunisten zijn; dan handelen ze immers nog op rationele, enigszins voorspelbare wijze. Wat we in plaats daarvan zien is fanatisme, een woord dat voor de Nazi’s een positieve connotatie had, en dat tot op het zelfvernietigende af. Fascisme belooft vaak niet op opportunistische wijze een leven van gemak en comfort, maar stelt juist strijd in het verschiet. Ze geloven het echt, en dat is deel van hun inderdaad vaak op emoties gestoelde aantrekkingskracht.
Een opvatting van fascisme als de cynische manipulatie van de massa door een kleine groep gewiekste cynici miskent de rol van de fascistische Duces en Führers. Paxton omschrijft de fixatie op fascistische leiders op provocerende wijze als ‘de laatste overwinning van fascistische propaganda’. Het maakt dergelijke figuren te belangrijk. Het is typerend dat volgens Smits de ‘dolkstootlegende’ (dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog verloren zou hebben vanwege links protest aan het thuisfront) een verzinsel van Hitler was. Dat was echter een veel breder gedragen notie, ook in ‘burgerlijk’ rechts.
Fascisme en andere extreemrechtse stromingen zijn wereldwijd in opmars, en dat is niet te verklaren als het gevolg van gewiekste propagandatechnieken. Een deel van de oorzaak is de al eerder genoemde teloorgang van linkse alternatieven. De opkomst van ‘klassiek fascisme’ kan niet los gezien worden van hoe economische crisis en onzekerheid niet alleen ‘van onderop’ mensen onzeker maakten en tegelijkertijd in heersende kringen naar drastische wegen werd gegrepen om privileges en ongelijkheid te bestendigen. Op vergelijkbare wijze zijn MAGA en Trump de morbide symptomen van een Amerikaans imperialisme dat relatief terrein aan het verliezen is en streeft naar een meer militaire reorganisatie, gesteund door een autoritair geregeerd en gepacificeerd thuisfront. Net zoals in de jaren dertig speelt de verdediging van gevestigde belangen een cruciale rol.
Smits’ benadering leidt tot erg tegenstrijdige conclusies. Zo roept Smits op tot ‘één front’ tegen fascisme, van ‘alle partijen van links tot rechts’. Vijf pagina’s verder stelt Smits juist dat fascisme alleen bestreden kan worden met een ‘helder toekomstperspectief’: ‘betaalbare woningen, passende zorg, goed onderwijs en bestaanszekerheid’, en door te formuleren waar je voor staat, en niet alleen waar je tegen bent. Dat is goed advies, maar iedereen die dat serieus neemt moet ook tot de conclusie komen dat een front van ‘alle partijen’ niet in staat is om een dergelijk perspectief te ontwikkelen. De opvattingen van de VVD over wat voor werkende mensen ‘passende zorg’ is, zijn niet die van socialisten. Pogingen om aansluiting te vinden bij ‘fatsoenlijk’ rechts maakt het formuleren van een eigen perspectief onmogelijk. Dat perspectief moet in de eerste plaats bestaan uit het verdedigen van democratische rechten en de belangen van de grote meerderheid.
Rosan Smits (2025), Dit is Fascisme. De Correspondent, 211 pagina’s.
Reactie toevoegen