De afgelopen jaren hebben we wereldwijd een spectaculaire opkomst gezien van reactionaire, autoritaire en/of fascistische extreemrechtse bewegingen. Ze regeren al in de helft van de landen ter wereld, waaronder Trump (VS), Modi (India), Orbán (Hongarije), Erdogan (Turkije), Meloni (Italië), Netanyahu (Israël), Milei (Argentinië)en, recentelijk, Kast van de Republikeinse Partij (Chili). Elders hebben ze onlangs Brazilië geregeerd (Bolsonaro) en zijn ze serieuze kanshebbers voor de macht met het Rassemblement National (Frankrijk), de AfD (Duitsland), enzovoort. En het regime van Poetin in Rusland wijkt heel weinig af van dat model.
In elk land heeft extreemrechts zijn eigen kenmerken: in veel gevallen (Europa, de Verenigde Staten, India) zijn de moslims en/of de immigranten de ‘vijand’ – dat wil zeggen de zondebok; in sommige moslimlanden is dat een religieuze minderheid (christenen, Joden, yezidi’s). In sommige gevallen overheersen vreemdelingenhatend nationalisme en racisme; in andere gevallen religieus fundamentalisme, of haat tegen links, feminisme en homoseksuelen.
Ondanks die diversiteit zijn er enkele gemeenschappelijke kenmerken die door de meerderheid, zo niet door iedereen, worden gedeeld: autoritarisme, integraal nationalisme – ‘Deutschland über alles’ en de lokale varianten daarvan ‘America First’, ‘O Brasil acima de tudo’, enzovoort; religieuze of etnische (racistische) intolerantie; en politie- en militair geweld als enige antwoord op sociale problemen en criminaliteit. De karakterisering als fascistisch of semi-fascistisch is misschien op sommigen van toepassing, maar niet op allen. Enzo Traverso gebruikt de term ‘postfascisme’, maar ik ben van mening dat neofascisme de beste term is om zowel de continuïteit als de vernieuwing van extreemrechts in de 21e eeuw te beschrijven.
Neofascistisch, niet ‘populistisch’
Het begrip ‘populisme’ wordt gebruikt door sommige politicologen, de media en zelfs een deel van links. Maar het dient alleen maar om verwarring te zaaien. Terwijl de term in Latijns-Amerika tussen de jaren 1930 en 1960 een relatief duidelijk begrip was – Vargasisme, Peronisme, enzovoort – is het gebruik ervan in Europa sinds de jaren 1990 steeds vager en onduidelijker geworden.
Populisme wordt gedefinieerd als 'een politieke positie die de kant van het volk kiest tegen de elites'. Maar dat geldt voor bijna elke politieke beweging of partij! Dat pseudoconcept, toegepast op extreemrechtse partijen, leidt – al dan niet opzettelijk – tot hun legitimering. Het maakt ze acceptabeler, zo niet sympathiek – wie is er nu niet voor het volk tegen de elites? – terwijl termen die aanstoot geven zorgvuldig worden vermeden: racisme, xenofobie, fascisme, extreemrechts. ‘Populisme’ wordt ook op een opzettelijk misleidende manier gebruikt door neoliberale ideologen om extreemrechts en radicaal links op één lijn te stellen. Ze worden gekarakteriseerd als ‘rechts-populisme’ en ‘links-populisme’, omdat ze zich verzetten tegen liberaal beleid, ‘Europa’, enzovoort.
Klimaatverandering afgewezen
Een gemeenschappelijk element in de meeste van die neofascistische regeringen of bewegingen is negationisme – de weigering om de ecologische crisis en klimaatverandering te erkennen. Ondanks het overweldigende wetenschappelijke bewijs blijven ze de realiteit van de opwarming van de aarde ontkennen of simpelweg negeren. Donald Trump is slechts de meest luidruchtige en vulgaire voorstander van dat cliché, dat niet alleen een ideologie is, maar een ecocidale praxis.
Dat wordt opnieuw geïllustreerd door Trump, die volledig toegewijd is aan de onbeperkte ontwikkeling van fossiele brandstoffen. Die zelfmoordpolitiek vertegenwoordigt de belangen van de fossiele oligarchie – de kapitalistische sectoren die verbonden zijn met de productie van olie, steenkool, gas, chemicaliën, kunststoffen, auto’s en vliegtuigen, enzovoort. Hun kortzichtige perspectief is uitsluitend gericht op onmiddellijke kansen voor winst en accumulatie.
Terug naar de jaren 1930?
De geschiedenis herhaalt zich niet. Wel kunnen we overeenkomsten of analogieën vinden, maar de huidige verschijnselen verschillen behoorlijk van vroegere modellen. Bovenal hebben we – nog – geen totalitaire staten die vergelijkbaar zijn met die uit de vooroorlogse periode. De klassieke marxistische analyse van het fascisme definieerde het als een reactie van het grootkapitaal, met de steun van de kleinburgerij, op de revolutionaire dreiging die uitging van de arbeidersbeweging. Men kan zich afvragen of die interpretatie werkelijk de opkomst van het fascisme in Italië, Duitsland en Spanje in de jaren twintig en dertig verklaart. In ieder geval is ze niet relevant in de wereld nu, waar nergens sprake is van een ‘revolutionaire dreiging’.
Er zijn nog andere belangrijke verschillen met het fascisme uit het verleden: neofascistische regimes zijn toegewijd aan het neoliberalisme, niet aan corporatistische nationale economieën. En ze zijn betrokken bij ecocidale activiteiten op een veel grotere schaal dan in de jaren dertig.
Wat is de verklaring?
Het is moeilijk om een algemene verklaring te geven voor zulke uiteenlopende verschijnselen, die de uitdrukking zijn van tegenstellingen die specifiek zijn voor elk land of elke regio van de wereld.
Een ‘verklaring’ die moet worden verworpen, is dat het verband houdt met migratiegolven, met name in de VS en Europa. Migranten zijn een handig voorwendsel, een nuttig instrument voor vreemdelingenhatende en racistische krachten, maar ze zijn geenszins de ‘oorzaak’ van hun succes. Bovendien floreert extreemrechts in veel landen – Brazilië, India, enzovoort – waar immigratie geen issue is.
De meest voor de hand liggende en ongetwijfeld relevante verklaring is dat de kapitalistische globalisering – die ook een proces van brute culturele homogenisering is – op wereldschaal vormen van ‘identiteitspaniek’ (een term bedacht door Daniel Bensaïd) voortbrengt en reproduceert. Dat leidt tot nationalistische en/of religieuze intolerantie en voedt etnische of religieuze conflicten. Hoe meer naties hun economische macht verliezen, hoe meer ze de immense glorie van de ‘Natie Boven Alles’ verkondigen.
Sommige van die verklaringen zijn nuttig, maar ze zijn ontoereikend. We beschikken nog niet over een alomvattende analyse van een fenomeen dat mondiaal is en zich op een specifiek moment in de geschiedenis voltrekt.
Hoe kunnen we terugvechten?
Helaas bestaat er geen toverformule. De oproep van Bernie Sanders tot een Wereldwijd Antifascistisch Front is een uitstekend voorstel. Tegelijkertijd moeten we brede coalities smeden ter verdediging van de democratische vrijheden in elk getroffen land. Dat is ook een ecologische noodzaak: de opkomst van ontkennende en ecocidale regeringen voorkomen, of als ze aan de macht zijn, weerstand bieden aan hun destructieve politiek.
Maar we moeten ook rekening houden met het feit dat het kapitalistische systeem, vooral in tijden van crisis, voortdurend fenomenen zoals fascisme, staatsgrepen en autoritaire regimes voortbrengt en reproduceert. De wortel van die tendensen is systemisch, en het alternatief moet radicaal zijn; het moet antisystemisch zijn. In 1938 schreef Max Horkheimer, een van de leidende denkers van de Frankfurter Schule van de Kritische Theorie: 'Als je niet over het kapitalisme wilt praten, heb je niets te zeggen over het fascisme.' Met andere woorden, een consequente antifascist is een antikapitalist.
Dat is nu relevanter dan ooit, nu de actieve vernietiging van het milieu en de opwarming van de aarde de onvermijdelijke gevolgen zijn van de expansieve logica van het kapitalistische systeem. Als we een ecologische catastrofe willen voorkomen, is de enige manier om te zoeken naar antisystemische voorstellen, zoals het ecosocialisme.
Ecosocialisme: de weg vooruit
Ecosocialisme is een poging om een radicaal, beschavingsalternatief te bieden, gebaseerd op de fundamentele argumenten van de ecologische beweging en de marxistische kritiek op de politieke economie. Het gaat de destructieve kapitalistische opvatting van ‘vooruitgang’ tegen met een economische benadering die niet wordt geleid door geld of economie, maar door sociale behoeften en ecologisch evenwicht. Die dialectische synthese wordt nagestreefd door een breed spectrum aan auteurs (waaronder Joel Kovel en John Bellamy Foster). Het is tegelijkertijd een kritiek op de ‘marktecologie’, die het kapitalistische systeem niet ter discussie stelt, en op het ‘productivistische socialisme’, dat de kwestie van natuurlijke grenzen negeert.
Ecosocialisme heeft het potentieel om sociale en ecologische bewegingen, boeren, inheemse volkeren, jongeren, vrouwen en arbeiders samen te brengen in het verzet tegen neofascistisch negationisme en milieuvernietiging.
Een ecosocialistische transformatie is onmogelijk zonder publieke controle over de productiemiddelen en planning; dat betekent publieke beslissingen over investeringen en technologische veranderingen. Die moeten worden weggenomen bij de banken en kapitalistische ondernemingen om het algemeen belang van de samenleving te dienen. Socialistische planning is gebaseerd op een democratisch en pluralistisch debat, op alle niveaus waar beslissingen worden genomen: verschillende voorstellen die aan het volk worden voorgelegd, in de vorm van partijen, programma’s of andere politieke bewegingen, en dienovereenkomstig gekozen afgevaardigden. De representatieve democratie moet echter worden aangevuld – en waar nodig gecorrigeerd – door vormen van directe democratie, waarin mensen rechtstreeks kiezen uit opties over belangrijke kwesties op lokaal, nationaal en, later, mondiaal niveau.
De overgang van kapitalistische ‘destructieve vooruitgang’ naar socialisme is een historisch proces, een permanente revolutionaire transformatie van de samenleving, de cultuur en de denkwijzen. Die overgang zou niet alleen leiden tot een nieuwe productiewijze en een egalitaire en democratische samenleving, maar ook tot een alternatieve levenswijze – een nieuwe ecosocialistische beschaving, voorbij de heerschappij van het geld, voorbij de door reclame kunstmatig gecreëerde consumptiegewoonten, en voorbij de onbeperkte productie van goederen die nutteloos en/of schadelijk zijn voor het milieu.
Een dergelijk proces kan niet beginnen zonder een revolutionaire transformatie van sociale en politieke structuren, en de actieve steun van de overgrote meerderheid van de bevolking voor een ecosocialistisch programma. De ontwikkeling van socialistisch bewustzijn en ecologisch bewustzijn is een proces waarin de eigen collectieve ervaring van de strijd van de mensen de doorslaggevende factor is, van lokale en gedeeltelijke confrontaties tot de radicale verandering van de samenleving.
Michael Löwy is een Frans-Braziliaanse socioloog, ecosocialist en activist van de Vierde Internationale. Hij is auteur van onder andere Ecosocialism: A radical alternative to capitalist catastrophe, Étincelles écosocialistes en Rosa Luxemburg: The Incendiary Spark. Hij is medeauteur (samen met Joel Kovel) van het Internationaal Ecosocialistisch Manifest (2002) en hij was een van de organisatoren van de eerste Internationale Ecosocialistische Bijeenkomst, die in 2007 in Parijs plaatsvond.
Dit artikel stond op Amandla!. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen