Socialisten worden er vaak van beschuldigd racisme te negeren, te bagatelliseren, of op verwerpelijke wijze te ‘reduceren’ tot klasse. Maar daarmee wordt voorbijgegaan aan een rijke traditie van marxistische theorievorming over raciale onderdrukking, die bekend is geworden als ‘zwart marxisme’.
De traditie van het zwarte marxistische denken – waartoe onder meer W.E.B. Du Bois, C.L.R. James en Frantz Fanon behoren – benadrukt zowel de historische centrale rol van het kapitalisme in raciale onderdrukking als de destructieve gevolgen van raciale onderdrukking voor zwarte arbeiders en arbeiders in het algemeen.
Jacobin-medewerker Jonah Birch sprak onlangs met Jeff Goodwin, professor aan de New York University en deskundige op het gebied van revoluties en sociale bewegingen. Hij heeft voor Catalyst geschreven over Du Bois en de zwarte marxistische traditie, en over de blijvende intellectuele bijdragen van zwarte marxistische intellectuelen aan het sociale en politieke denken. Hun gesprek ging over de centrale rol van het kapitalisme in raciale onderdrukking, de heterogeniteit van het zwarte marxistische denken en het voortbestaan van die theoretische traditie nu.
U schreef onlangs lovend over het zwarte marxisme in Catalyst. Wat bedoelt u precies met ‘zwart marxisme’?
De term verwijst naar Afrikaanse, Afro-Amerikaanse en Afro-Caribische schrijvers, organizers en revolutionairen die zich hebben gebaseerd op de marxistische theorie om zowel raciale onderdrukking als klassenuitbuiting, inclusief kolonialisme, te begrijpen – en beter te kunnen vernietigen. Het verwijst dus naar een theoretische en politieke tendens binnen het marxisme. Het is vergelijkbaar met het marxistisch feminisme, dat natuurlijk gebruikmaakt van de marxistische theorie om genderonderdrukking te begrijpen.
Mensen zeggen wel eens dat het marxisme een ‘rasprobleem’ heeft, waarmee ze bedoelen dat marxisten ras niet serieus nemen. Maar eerlijk gezegd kan ik geen theoretische of politieke traditie bedenken, of het nu liberalisme, zwart nationalisme of kritische rassentheorie, die meer inzicht biedt in raciale onderdrukking dan het marxisme. En dat is grotendeels te danken aan de zwarte marxistische traditie – hoewel je natuurlijk vijandigheid tegen raciale onderdrukking en kolonialisme aantreft in het werk van klassieke marxisten als Rosa Luxemburg, Vladimir Lenin en Karl Marx zelf. Toch zijn veel mensen, ook mensen aan de linkerkant van het politieke spectrum, zich niet bewust van die traditie van theorie en praktijk.
Wat zijn volgens u de belangrijkste principes van het zwarte marxisme?
Het zwarte marxisme is niet homogeen, maar de centrale gedachte is dat het kapitalisme historisch gezien de belangrijkste pijler van raciale onderdrukking in de moderne tijd is. En met raciale onderdrukking bedoel ik de politieke, juridische en sociale overheersing of controle van Afrikaanse en zwarte volkeren.
Wat betekent het om te zeggen dat het kapitalisme de belangrijkste pijler of basis van raciale onderdrukking is? Zwarte marxisten wijzen op twee fundamentele kenmerken van het kapitalisme: enerzijds de onophoudelijke drang van kapitalisten naar goedkope arbeidskrachten en grondstoffen, anderzijds de concurrentie tussen arbeiders om banen, als de hoofdoorzaken van raciale onderdrukking. Merk dus meteen op dat, hoewel raciale onderdrukking volgens zwarte marxisten wordt veroorzaakt en gemotiveerd door het kapitalisme, dat duidelijk niet hetzelfde is als klassenuitbuiting. Het vergemakkelijkt veeleer de uitbuiting van zwarte arbeidskrachten en daarmee van alle arbeidskrachten.
En zeggen dat racisme in zijn moderne vorm een product is van het kapitalisme, doet op geen enkele manier afbreuk aan de gruwelijke gevolgen van racisme. Integendeel. Zwarte marxisten benadrukken hoe zwarte volkeren in de moderne tijd geconfronteerd zijn met politieke en sociale overheersing en met de extreme vormen van economische uitbuiting die deze overheersing mogelijk heeft gemaakt. De politieke onderdrukking van zwarte volkeren is op zich al verschrikkelijk, en maakt bovendien bijzonder wrede vormen van arbeidsuitbuiting mogelijk.
Om specifieker te zijn: een inherent kenmerk van het kapitalisme is de onophoudelijke drang van kapitalisten naar goedkope arbeidskrachten en grondstoffen. Die drang komt voort uit het feit dat kapitalisten met elkaar concurreren en dus voortdurend op zoek zijn naar manieren om hun productiekosten te verlagen. Een manier om arbeid goedkoop en volgzaam te houden is door arbeiders politiek te onderdrukken – door hen te domineren en te controleren en zo te voorkomen dat ze zich organiseren en effectief verzetten. Kapitalisten zouden het liefst alle arbeiders onderdrukken, maar een tweede beste optie is om een aanzienlijk deel van de arbeidersklasse te domineren – dat kunnen vrouwen zijn, immigranten of zwarte arbeiders.
Zwarte marxisten zeggen dat zwarte volkeren op gruwelijke wijze zijn onderdrukt door kapitalisten, de overheid en de politie, niet als doel op zich of alleen uit raciale kwaadaardigheid. Waar grootschalige raciale overheersing en ongelijkheid bestaan, is het doel over het algemeen om de uitbuiting en controle van zwarte arbeid te vergemakkelijken – denk aan slavernij op plantages, deelpacht en laagbetaald en onzeker werk in de Verenigde Staten. In veel gevallen omvat de motivatie achter raciale overheersing ook de onteigening van land en hulpbronnen die door specifieke raciale groepen worden gecontroleerd. Kolonialisme brengt uiteraard een dergelijke onteigening met zich mee en wordt gedreven door de onophoudelijke zoektocht van kapitalisten naar goedkope hulpbronnen en goedkope arbeidskrachten.
Raciale onderdrukking wordt ook vaak ondersteund en uitgevoerd door witte arbeiders. Hier komt een ander fundamenteel kenmerk van het kapitalisme om de hoek kijken: de concurrentie tussen arbeiders om banen. Maar laat ik benadrukken dat voor zwarte marxisten grootschalige systemen van raciale onderdrukking en ongelijkheid over het algemeen projecten zijn geweest van machtige heersende klassen – in samenwerking met de staten die ze controleren of domineren – en dat die klassen een materieel belang hebben bij het goedkoper maken en uitbuiten van de arbeid van Afrikaanse en zwarte volkeren, of bij het in beslag nemen van de hulpbronnen die ze bezitten. Raciale onderdrukking is bijzonder wreed en hardnekkig als machtige heersende klassen en staten er een materieel belang bij hebben.
Nu zijn de motieven achter individuele daden van racisme complex en kunnen ze niet altijd precies in deze termen worden uitgelegd. Maar het verklaren van het interpersoonlijke gedrag van deze of gene persoon is niet waar het bij het zwarte marxisme om gaat. Zoals ik al zei, het probeert de belangrijkste drijfveer achter grootschalige instellingen van raciale overheersing te achterhalen, en het stelt dat de uitbuiting van arbeid – klassenuitbuiting – over het algemeen die drijfveer is. Geïnstitutionaliseerd racisme verschilt heel sterk van interpersoonlijk racisme.
Ik merk dat u in het meervoud spreekt over zwarte volkeren. Ik neem aan dat dit is om de heterogeniteit te benadrukken van de culturele en etnische groepen binnen of afkomstig uit Afrika die gekoloniseerd of tot slaaf gemaakt werden en naar de Nieuwe Wereld werden gebracht.
Ja, precies, en de heterogeniteit van gekoloniseerde volkeren in het algemeen. Ergens schrijft W.E.B. Du Bois – in Color and Democracy, geloof ik – dat gekoloniseerde volkeren zeer uiteenlopende geschiedenissen, culturen en fysieke kenmerken hebben. Wat hen verenigt is niet ras of huidskleur, maar armoede, veroorzaakt door kapitalistische uitbuiting. Hun ras is de ogenschijnlijke reden – of rechtvaardiging – voor hun uitbuiting, zegt Du Bois, maar de echte reden is om winst te maken met goedkope arbeidskrachten, zwart en wit. De onderdrukking van zwarte arbeiders, benadrukte hij, maakte onvermijdelijk ook witte arbeidskrachten goedkoper.
Hoe past racistische ideologie in dit verhaal?
Racistische ideologie of witte supremacistische ideologie – racisme in culturele zin – wordt over het algemeen ontwikkeld, verspreid en geïnstitutionaliseerd door heersende klassen en overheidsinstanties als een manier om raciale onderdrukking en ongelijkheid te rechtvaardigen en te rationaliseren. Raciale vijandigheid of haat op zich is niet de primaire motivatie voor raciale onderdrukking – de rijkdom of winst die wordt gegenereerd door de uitbuiting van zwarte arbeid is het belangrijkste motief – maar racisme rechtvaardigt die onderdrukking en wordt een reden voor het voortbestaan ervan.
Dat betekent overigens niet dat bepaalde racistische en supremacistische ideeën niet al lang vóór het kapitalisme bestonden. Maar die waren beperkt in omvang en invloed totdat ze werden gekoppeld aan de materiële belangen van machtige kapitalisten en staten, waarna racistische ideeën werden gesystematiseerd en geïnstitutionaliseerd en zo een materiële kracht op zich werden.
Ras kan dus zowel het sociale criterium als de morele rechtvaardiging worden voor de politieke en sociale onderdrukking die de uitbuiting van zwarte arbeidskrachten makkelijker en intensiever maakt dan anders mogelijk zou zijn. En er is nog iets anders. Zoals ik al zei, zien arbeiders die niet op basis van ras worden onderdrukt, hun eigen arbeid toch in waarde dalen en hun potentiële collectieve macht afnemen door de raciale kloof die wordt gecreëerd door de onderdrukking van zwarte arbeiders. Voor zwarte marxisten is racisme dus duidelijk buitengewoon belangrijk op zich, ondanks het idee dat het marxisme een 'rasprobleem' heeft. Zwarte marxisten zijn in geen enkel opzicht 'klassenreductionisten'.
Er zijn echter ‘vulgaire’ of simplistische marxisten en socialisten geweest die beweerden dat de problemen van onderdrukte zwarte arbeiders niet verschillen van de problemen waarmee alle arbeiders worden geconfronteerd. Dat is duidelijk onjuist. Historisch gezien zijn witte arbeiders soms op meedogenloze wijze uitgebuit, maar in de Verenigde Staten hebben ze nooit te maken gehad met politieke, juridische en sociale onderdrukking zoals zwarte arbeiders.
De grote Amerikaanse socialist Eugene V. Debs zei ooit dat ‘we de neger niets bijzonders te bieden hebben’, waarmee hij bedoelde dat er niets anders was dan de klassenpolitiek die de Socialistische Partij aan witte arbeiders aanbood. Maar zoals William Jones heeft aangetoond, is die uitspraak uit zijn context gehaald. In werkelijkheid was Debs een fervent tegenstander van racisme en bekritiseerde hij socialisten die racisme negeerden of die dachten dat de klassenstrijd de noodzaak om racistische wetten en instellingen aan te pakken 'teniet deed'. Racisme was een obstakel voor klassensolidariteit, vond Debs, en moest daarom door alle arbeiders worden bestreden. De door Paul Heideman samengestelde bundel Class Struggle and the Color Line bevat geschriften van een aantal Amerikaanse socialisten en communisten, zwart en wit, waaronder Debs, die het grote belang inzagen van het bestrijden en uitbannen van racisme onder witte arbeiders en in de samenleving als geheel.
Nu kunnen we stellen dat verreweg de meeste marxisten, mede dankzij het werk van zwarte marxisten, begrijpen dat de verschillende instellingen, wetten en normen van raciale onderdrukking verschillen van en net zo kwaadaardig zijn als de uitbuiting van zwarte arbeidskrachten – zelfs als ze die uitbuiting versnellen. Racistische praktijken zijn alomtegenwoordig op de werkplek – ze vinden plaats ‘op het punt van productie’ – maar ze strekken zich ook uit tot de samenleving als geheel en bepalen de relaties tussen regeringen en hun onderdanen. Die racistische instellingen, wetten en praktijken moeten worden bestreden in combinatie met de strijd tegen klassenuitbuiting.
Eerder zei u dat zwarte marxisten de concurrentie tussen arbeiders om banen in kapitalistische samenlevingen in verband brengen met racisme. Kunt u daar meer over zeggen?
Sommige zwarte marxisten benadrukken dat witte arbeiders gewelddadig racistisch kunnen zijn, hoewel hun racisme verschilt van dat van kapitalisten. Een belangrijk inzicht van het zwarte marxisme is namelijk dat racisme niet eenduidig is — het neemt verschillende klassenvormen aan in verschillende economische en politieke contexten. Voor witte arbeiders wordt racisme vaak ingegeven door de angst dat zwarte arbeiders — of bepaalde etnische groepen, of immigranten — hun banen zullen innemen of hun inkomsten zullen drukken omdat ze bereid zijn voor lagere lonen te werken, of omdat ze gedwongen worden voor lagere lonen of helemaal geen loon te werken.
Kapitalisten proberen die angst natuurlijk aan te wakkeren. Vanuit die angst zie je dat witte arbeiders proberen om zwarten (en bepaalde witte etnische groepen) vaak met geweld uit te sluiten van beter betaalde banen of hele industrieën, evenals uit vakbonden. Het resultaat is wat een gesplitste arbeidsmarkt wordt genoemd, waarbij zwarte arbeiders worden gedegradeerd naar lager betaalde banen of in sommige contexten zelfs helemaal worden uitgesloten van de arbeidsmarkt. Ook hier worden racistische of supremacistische overtuigingen gebruikt om die uitsluiting en dat geweld te rechtvaardigen. De term 'gesplitste arbeidsmarkt' is in de jaren zeventig ontwikkeld door de marxistische socioloog Edna Bonacich, maar het basisidee gaat minstens terug tot Du Bois.
Het is belangrijk om te onthouden dat arbeiders niet de macht hebben om arbeiders aan te nemen en te ontslaan – dat is wat kapitalisten doen. Gesplitste arbeidsmarkten ontstaan dus alleen als kapitalisten er belang bij hebben om in te gaan op de eisen van racistische arbeiders. Maar kapitalisten verzetten zich soms tegen de eisen van arbeiders om zwarte arbeiders uit te sluiten van bepaalde beroepen of industrieën – vooral als er een tekort aan arbeidskrachten is, waaronder een tekort aan geschoolde arbeiders of het tekort aan arbeidskrachten dat door stakingen ontstaat. Kapitalisten in de Verenigde Staten stonden erom bekend dat ze zwarte stakingsbrekers inzetten om stakende witte arbeiders te vervangen, een maatregel die zowel stakingen ondermijnde als de raciale vijandigheid van witte arbeiders aanwakkerde, waardoor de raciale kloof in de arbeidersklasse werd versterkt.
Marxisten beschouwen racisme onder de arbeidersklasse natuurlijk niet als onvermijdelijk. Door zich te organiseren en klassenstrijd te voeren met kapitalisten, geloven zij, kunnen witte arbeiders gaan inzien dat brede, multiraciale klassensolidariteit noodzakelijk is en dat het kapitalisme verantwoordelijk is voor het tekort aan goedbetaalde banen, en niet andere arbeiders die worstelen om te overleven.
De politieke implicatie van dit perspectief is dat klassenstrijd een integraal onderdeel zal en moet zijn van elke strategie voor zwarte bevrijding of dekolonisatie – zowel op het gebied van productie als in de bredere samenleving. Als de uitbuiting van zwarte arbeidskrachten en de gelijktijdige uitsluiting van zwarte arbeidskrachten van beter betaalde banen de economische basis vormen van raciale onderdrukking, zoals zwarte marxisten stellen, dan moet die basis worden ondermijnd, zo niet volledig worden vernietigd. In hun strijd tegen raciale onderdrukking en klassenuitbuiting zullen zwarte arbeiders bovendien de breedst mogelijke solidariteit van arbeiders van andere raciale groepen nodig hebben om te slagen, zelfs als racisme dergelijke solidariteit dreigt te belemmeren. Vandaar de noodzaak om racisme bij elke gelegenheid te bestrijden. Klassensolidariteit is natuurlijk vooral belangrijk als de raciaal onderdrukte arbeiders een minderheid vormen, zoals in de Verenigde Staten.
U noemde Du Bois, maar wie zijn de andere sleutelfiguren in de zwarte marxistische traditie? Wie zijn de architecten van de ideeën die u hebt besproken?
Die traditie omvat een ongelooflijk indrukwekkende groep mensen. Een korte lijst van zwarte marxisten zou, naast Du Bois, C.L.R. James, Harry Haywood, Claudia Jones, Oliver Cromwell Cox, Aimé Césaire, Frantz Fanon, Walter Rodney, Claude Ake, Neville Alexander, Manning Marable en Stuart Hall omvatten. Paul Robeson stond heel dicht bij die stroming en bij Du Bois in het bijzonder. Malcolm X leek in het jaar voor zijn moord die traditie te omarmen.
Tot die traditie behoren ook Afrikaanse revolutionairen als Kwame Nkrumah, Amílcar Cabral, Agostinho Neto en Eduardo Mondlane. Prominente Black Panthers en enkele voorstanders van Black Power, waaronder Huey Newton, Fred Hampton en Stokely Carmichael (Kwame Ture), behoren tot die traditie.
En James Baldwin, die zowel een vriend was van Martin Luther King Jr. als een fan van de Panthers, stond er begin jaren zeventig dicht bij – lees maar zijn boek No Name in the Street. Geen enkele andere theoretische of politieke traditie die zich met de kwestie van raciale overheersing heeft beziggehouden, kan bogen op zo'n briljante reeks schrijvers, intellectuelen en revolutionairen.
Er is een discussie over de vraag of W.E.B. Du Bois een marxist was, nietwaar?
Tot voor kort was daar eigenlijk geen discussie over. Iedereen – in ieder geval iedereen aan de linkerkant van het politieke spectrum – begreep dat Du Bois een marxistisch socialist werd voordat hij op 65-jarige leeftijd zijn magnum opus, Black Reconstruction in America, en daaropvolgende radicale werken schreef, hoewel er zeker sporen van marxisme en socialisme in zijn eerdere werk te vinden zijn. Het marxisme van Du Bois komt duidelijk naar voren in zijn postuum gepubliceerde autobiografie. Du Bois werd uiteindelijk een medestander van de communistische beweging – eigenlijk een fervent stalinist – en sloot zich in 1961, toen hij drieënnegentig was, aan bij de Communistische Partij, of wat daar nog van over was na het McCarthyisme.
Onlangs heeft een groep liberale sociologen dat allemaal krachtig ontkend of gebagatelliseerd, en hebben ze iets bedacht dat ze ‘de sociologie van Du Bois’ noemen, waaruit ze alle sporen van marxisme hebben weggepoetst – een echte witwasoperatie, om zo te zeggen. Het is niet verwonderlijk dat die groep marxisme gelijkstelt aan ‘klassenreductionisme’. Geïnteresseerden kunnen een discussie tussen mijzelf en een van deze nep-‘Du Boisianen’ lezen in Catalyst. Ik schreef mijn verdediging van het zwarte marxisme als reactie op dat ontkenningsbeleid, dat gebaseerd is op een diepgaande onwetendheid over zowel de latere Du Bois als de zwarte marxistische traditie.
Zijn kwesties van ras en etniciteit niet door een breed scala aan marxisten van vele rassen en nationaliteiten aan de orde gesteld?
Zeker. Zwart marxisme is slechts een onderdeel – hoewel ik denk dat het het meest interessante onderdeel is – van een bredere multiraciale en internationale traditie binnen het marxisme die raciale overheersing en etnische en nationale onderdrukking, inclusief kolonialisme, tracht te begrijpen. Die bredere traditie omvat klassieke marxisten zoals Luxemburg en Lenin, maar ook de Peruaanse marxist José Carlos Mariátegui, die schreef over de ‘Indiaanse kwestie’ in Latijns-Amerika, en de Japanse econoom Kamekichi Takahashi. Het omvat mensen van Zuid-Aziatische afkomst, van M.N. Roy tot A. Sivanandan, en vele anderen. Het omvat ook Ho Chi Minh, die, zoals je je kunt voorstellen, een aantal interessante dingen te zeggen had over Europees racisme.
Die traditie omvat ook witte Europese en Noord-Amerikaanse figuren zoals de Austromarxist Otto Bauer; Max Shachtman, die schreef over ras in de Verenigde Staten; en Herbert Aptheker, een vriend en literair executeur van Du Bois, die een geweldig boek schreef over Amerikaanse slavenopstanden. En de traditie omvat ook recentere figuren zoals Eric Hobsbawm, Theodore Allen en Benedict Anderson, die bekend staat om zijn idee dat een natie een 'ingebeelde gemeenschap' is, een idee dat ook van toepassing is op ras en etniciteit. Het omvat ook witte Zuid-Afrikanen die betrokken waren bij de strijd tegen apartheid, waaronder Martin Legassick en Harold Wolpe.
Leeft de zwarte marxistische traditie nog steeds?
Zeker! Er komen meteen een aantal interessante en belangrijke schrijvers in me op, waaronder de Columbia University-historica Barbara Fields, Adolph Reed en zijn zoon Touré Reed, Kenneth Warren, Zine Magubane, Cedric Johnson, August Nimtz, Preston Smith en de Harvard-filosoof Tommie Shelby, die zichzelf omschrijft als een ‘Afro-analytisch marxist’. En dat zijn alleen nog maar figuren in de Verenigde Staten.
Hoe zit het met Cedric Robinson, die in 1983 een beroemd boek schreef met de titel Black Marxism? Is de term ‘Black Marxism’ niet door hem populair gemaakt?
Ironisch genoeg wel, maar niet alleen door hem. Ik zeg ‘ironisch genoeg’ omdat Robinson een fel tegenstander van het marxisme was. Hij vond dat het marxisme, net als de ‘westerse’ cultuur in het algemeen, blind was voor racisme en in feite impliciet en vaak openlijk racistisch was, en dat de categorieën ervan niet van toepassing waren op niet-Europese samenlevingen. Voor Robinson, net als voor de ‘Du Boisiaanse’ sociologen die ik noemde, bestaat er maar één soort marxisme: vulgair, klassenreductionistisch marxisme.
Maar omdat Robinson een boek schreef met de titel Black Marxism, denken veel mensen dat hij zelf een marxist of pro-marxist moet zijn. Niets is echter minder waar. Robinson wilde zijn boek blijkbaar niet eens Black Marxism noemen, maar ik denk dat zijn uitgever dacht dat het met die titel beter zou verkopen.
Black Marxism heeft veel tekortkomingen, waaronder een vreselijke weergave van het gedachtegoed van echte zwarte marxisten, met name de ideeën van Du Bois en C.L.R. James. Robinsons visie op Du Bois als vermeende criticus van het marxisme is gebaseerd op een onvolledige lezing van het werk van Du Bois en op een ernstig verkeerde interpretatie van met name Black Reconstruction in America. Zijn kijk op Du Bois is vergelijkbaar met die van de ‘Du Boisian’ sociologen. Robinson stelt, zonder enig bewijs, dat Du Bois en James het marxisme hebben verlaten, waardoor ze iets konden ontdekken wat hij de ‘zwarte radicale traditie’ noemt.
Maar dat is pure fictie – noch Du Bois, noch James hebben het marxisme verlaten. Du Bois' toewijding aan het marxisme en de communistische beweging werd in de loop van de tijd alleen maar groter, zelfs na de beroemde toespraak van Nikita Chroesjtsjov in 1956, waarin hij de misdaden van Joseph Stalin aan de kaak stelde, en na de Sovjetinvasie van Hongarije in datzelfde jaar. Zoals ik al zei, trad hij pas heel laat toe tot de Communistische Partij, slechts een paar jaar voor zijn dood. Dat zou nogal vreemd zijn, als je erover nadenkt, voor iemand die het marxisme zou hebben opgegeven.
De ‘zwarte radicale traditie’ – de uitdrukking hoor je tegenwoordig nogal eens. Wat is dat en hoe verhoudt die zich tot het zwarte marxisme?
Dat hangt ervan af aan wie je het vraagt! De ondertitel van Robinsons boek Black Marxism luidt ‘The Making of the Black Radical Tradition’ (Het ontstaan van de zwarte radicale traditie). Toen ik dat voor het eerst zag, dacht ik dat hij het zwarte marxisme gelijkstelde aan de zwarte radicale traditie, of op zijn minst suggereerde dat zwarte marxisten deel uitmaakten van de zwarte radicale traditie. En dat is logisch. Maar voor Robinson hebben die twee geen enkele connectie. Het marxisme is in wezen en voor altijd Europees en racistisch, en de zwarte radicale traditie is in wezen en voor altijd pan-Afrikaans en antiracistisch. Robinson houdt dan ook vol dat het marxisme antiracisten niets te bieden heeft. Hoe zou dat ook kunnen, als het marxisme deel uitmaakt van de westerse cultuur, die onherstelbaar racistisch is?
In de echte wereld hebben zwarte intellectuelen en revolutionairen natuurlijk geput uit het marxisme in een poging om racisme, imperialisme en kolonialisme beter te begrijpen. Dat beschrijft Du Bois en James perfect. Ze staan centraal in de zwarte radicale traditie in elke betekenisvolle zin van het woord, net als de andere zwarte marxisten die ik heb genoemd. Ik zou in die traditie ook niet-marxisten opnemen die niettemin zien en benadrukken hoe het kapitalisme betrokken is bij raciale onderdrukking en ongelijkheid, en die daarom antikapitalistisch zijn, zo niet noodzakelijkerwijs revolutionair.
Ik denk daarbij aan verschillende sociaaldemocratische en christelijk-socialistische figuren zoals A. Philip Randolph, Chandler Owen, Eric Williams (een leerling van C.L.R. James), Bayard Rustin, Ella Baker en natuurlijk Martin Luther King Jr. Baker, die in 1960 hielp bij de oprichting van het Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), stond in feite vrij dicht bij de marxisten. Hoe dan ook, al die mensen verdienen zeker een plaats binnen de zwarte radicale traditie.
Dus u suggereert dat wat zwarte radicalen onderscheidt van andere antiracisten – liberale antiracisten en zwarte nationalisten – hun antikapitalisme is?
Ja, het belangrijkste onderscheidende criterium is antikapitalisme. We moeten de zwarte radicale traditie zien als zowel antiracistisch als antikapitalistisch. Radicalen vinden dat die twee hand in hand moeten gaan. Ik zie niet in hoe je jezelf in deze wereld een radicaal kunt noemen als je niet principieel tegen het kapitalisme bent.
Om die reden zou ik ook sommige, maar zeker niet alle zwarte nationalisten en antikolonialisten in de zwarte radicale traditie plaatsen. Maar nationalisten die het kapitalisme steunen, inclusief het zogenaamde zwarte kapitalisme, steunen noodzakelijkerwijs uitbuiting en ongelijkheid. Daar is niets radicaals aan. Dat is de centrale stelling van Frantz Fanon in De verworpenen van de aarde. Pas op, waarschuwde hij, voor de zwarte bourgeoisie – of de nationale bourgeoisie, zoals hij het noemde. In tegenstelling tot Robinson denk ik niet dat antiracisme en antikolonialisme op zich je tot een radicaal maken. Er zijn duidelijk veel elitaire en autoritaire antiracisten en antikoloniale nationalisten.
En zou u Martin Luther King Jr ook binnen de zwarte radicale traditie plaatsen?
Absoluut. In de laatste jaren van zijn leven werd hij steeds openlijker over zijn vijandigheid tegenover het kapitalisme en zijn steun voor democratisch socialisme. Door zijn opleiding kwam hij in contact met veel christelijke socialisten en hun geschriften. In zijn proefschrift bespreekt King twee linkse theologen, Paul Tillich en Henry Nelson Wieman. Matt Nichter heeft onlangs geschreven over de vele socialisten, communisten en ex-communisten die Kings Southern Christian Leadership Conference steunden of ervoor werkten. King was ook een groot voorstander van de arbeidersbeweging, en de meest radicale vakbonden in het land steunden hem. King steunde natuurlijk een staking van vuilnismannen in Memphis toen hij werd vermoord.
Gezien die achtergrond heeft King nooit zijn toevlucht genomen tot communistenjacht en keek hij zelfs met een scheef oog naar liberale anticommunisten. Hij waardeerde de steun van communisten aan de burgerrechtenbeweging. Een van zijn laatste grote toespraken was een eerbetoon aan Du Bois, op de honderdste verjaardag van zijn geboorte. Hij berispte degenen die de communistische politiek van Du Bois ontkenden of bagatelliseerden, omdat hij vond dat dit alleen maar bijdroeg aan het versterken van negatieve stereotypen over socialisme en communisme.
Ik denk zelfs dat King moet worden beschouwd als een van de grootste socialisten in de Amerikaanse geschiedenis. In zijn strijd tegen armoede kwam King overigens tot de conclusie dat iedereen recht had op een gegarandeerd inkomen, en hij wilde dat inkomen niet op het armoedeniveau vaststellen, maar op het gemiddelde inkomensniveau van het land. Ik weet niet zeker of dat praktisch zinvol is – mensen die minder dan het gemiddelde inkomen verdienen, zouden waarschijnlijk hun baan opzeggen en het gegarandeerde inkomen nemen! Maar dat voorstel weerspiegelt duidelijk Kings haat niet alleen tegen armoede, maar tegen elk economisch systeem dat mensen de materiële middelen ontzegt die ze nodig hebben om te bloeien en niet slechts te overleven.
Hedendaagse zwarte marxisten lijken bijzonder kritisch te staan tegenover wat zij ‘rasreductionisme’ noemen. Wat is rasreductionisme precies?
Die uitdrukking is waarschijnlijk het best bekend uit het boek van Touré Reed uit 2020, Toward Freedom: The Case Against Race Reductionism, hoewel ook anderen de uitdrukking hebben gebruikt. Ze is gebaseerd op de liberale neiging om klasse los te koppelen van racisme, om racisme te beschouwen als losstaand van met name arbeidsuitbuiting. Dat staat in schril contrast met een belangrijk principe van het zwarte marxisme, dat arbeidsuitbuiting en systematische uitsluiting van beter betaalde banen als centraal element van raciale onderdrukking beschouwt. Liberalen scheiden racisme vaak van klasse en gebruiken racisme vervolgens in algemene, abstracte zin – als irrationeel vooroordeel – als verklaring voor raciale onderdrukking.
Het is een filosofisch idealistisch argument – racisme als idee veroorzaakt de onderdrukking van zwarte volkeren. Als klassenreductionisme – dat, zoals we hebben gezien, door zwarte marxisten nadrukkelijk wordt afgewezen – ons adviseert om raciale overheersing te vergeten, adviseren raciale reductionisten ons om klassenverschillen en klassenuitbuiting te vergeten. Het is dus logisch dat zwarte marxisten en zwarte radicalen tegen die theoretische benadering zijn.
Met andere woorden, het concept van ras wordt reductionistisch en ideologisch als het klassenverschillen en uitbuiting binnen een raciale groep verhult, evenals gemeenschappelijke klassenbelangen die over de raciale groepen heen lopen en een potentiële basis vormen voor klassensolidariteit. Evenzo wordt het gebruik van racisme of racistische ideeën als verklaring reductionistisch als racisme losstaat van klassenbelangen.
Oliver Cromwell Cox, een belangrijke zwarte marxistische socioloog, zegt ergens dat als overtuigingen alleen een ras zouden kunnen onderdrukken, de overtuigingen die zwarten over witten hebben dan even krachtig zouden moeten zijn als de overtuigingen die witten over zwarten hebben. Maar dat is alleen waar als je klasse en staatsmacht buiten beschouwing laat. In dezelfde geest zei Stokely Carmichael (Kwame Ture) ooit dat als een witte man hem wilde lynchen, dat het probleem van de witte man was. Maar als de witte man de macht had om hem te lynchen, dan en alleen dan werd het Carmichaels probleem. Cox en Carmichael zeggen alleen maar het voor de hand liggende: ideeën die losstaan van macht zijn machteloos. Dat wil niet zeggen dat ras en racisme nooit van belang zijn. Dat is natuurlijk niet zo. Racisme kan heel ingrijpend en hardnekkig zijn als het verband houdt met de materiële belangen van machtige klassen en staten. Dat is een centraal principe van het zwarte marxisme.
Tot slot wil ik u vragen naar het concept van ‘raciaal kapitalisme’. Dat is een andere uitdrukking die je tegenwoordig veel hoort in linkse kringen. Is dat een concept dat door zwarte marxisten is ontwikkeld? En wat betekent het precies?
Marxisten hebben die term inderdaad ontwikkeld, maar laat ik beginnen met te zeggen dat er veel inkt is verspild in een poging om die uitdrukking te definiëren. Geen van de grote zwarte marxisten van wie we zoveel hebben geleerd, heeft die term ooit gebruikt – niet Du Bois of James, niet Cox of Fanon, niet Rodney of Hall, niet Nkrumah of Cabral. Het is dus duidelijk mogelijk om op een inzichtelijke manier te praten over ras en klasse en kapitalisme en onderdrukking zonder die term te gebruiken. Het simpelweg samenvoegen van de woorden ‘raciaal’ en ‘kapitalisme’ garandeert niet op magische wijze dat je de relatie tussen kapitalisme en racisme begrijpt. Ik ben natuurlijk niet de eerste die daar op wijst.
Dat gezegd hebbende, werd de term ‘raciaal kapitalisme’ in feite voor het eerst ontwikkeld door marxisten in Zuid-Afrika, tijdens het apartheidsregime. Een paar sociologen, Marcel Paret en Zach Levenson, hebben aangetoond dat de term blijkbaar voor het eerst werd gebruikt door een witte professor uit Berkeley, Bob Blauner, in 1972. Maar weinig mensen pikten het op totdat de term eind jaren zeventig en in de jaren tachtig op grote schaal werd gebruikt door Zuid-Afrikaanse marxisten, waaronder Neville Alexander, Martin Legassick en Bernard Magubane. Hun standpunt was dat, omdat het kapitalisme de basis vormde voor raciale onderdrukking in Zuid-Afrika, de strijd tegen apartheid zowel antikapitalistisch moest zijn als een strijd voor democratische rechten.
Dat stond haaks op het standpunt van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) van Nelson Mandela en de Communistische Partij van Zuid-Afrika. Zij pleitten ervoor dat de strijd voor het socialisme moest worden uitgesteld totdat een democratische revolutie – een ‘nationale democratische revolutie’, zoals zij het noemden – de apartheid had omvergeworpen. Maar dat impliceert, onwaarschijnlijk genoeg, dat apartheid weinig of niets te maken had met kapitalisme en de uitbuiting van zwarte arbeiders. In feite deed het ANC meer dan alleen de strijd voor het socialisme uitstellen – het liet die helemaal varen. Hoe dan ook, voor zwarte marxisten verwijst de term ‘raciaal kapitalisme’ naar het feit dat het kapitalisme de basis is geweest voor verschillende vormen van raciale onderdrukking in samenlevingen over de hele wereld.
Toch denken veel mensen ten onrechte dat ‘raciaal kapitalisme’ een idee van Cedric Robinson is. Als ze de moeite zouden nemen om zijn boek daadwerkelijk te lezen, zouden ze zien dat hij de term nauwelijks gebruikt. En Robinson – die, nogmaals, vijandig staat tegenover het marxisme – gebruikt de term heel anders dan zwarte marxisten. In feite begrijpt hij de term op een racistisch-reductionistische manier. Voor Robinson is kapitalisme gewoon een andere uiting van de eeuwenoude westerse cultuur, dus natuurlijk is het inherent racistisch. Voor hem creëert kapitalisme geen systemen van raciale onderdrukking, zoals zwarte marxisten stellen. Het racistische karakter van de westerse cultuur, dat vele eeuwen teruggaat, zorgt er op de een of andere manier voor dat elke economische orde die daarmee verband houdt – feodalisme, kapitalisme, socialisme – ook racistisch zal zijn.
Ook dat is een filosofisch idealistisch argument. Ideeën, in dit geval die van de westerse cultuur, reproduceren voortdurend raciale onderdrukking vanuit een of andere eigen kracht, eerst in Europa en vervolgens over de hele wereld. Maar hoe kunnen die ideeën zo krachtig zijn? Heeft het misschien iets te maken met de materiële belangen van machtige klassen en staten, zoals zwarte marxisten bepleiten? Robinson wijst soms in die richting, maar meestal zegt hij er niets over. Voor hem zijn de ideeën zelf almachtig. Dat is gewoon geen serieuze verklaring voor racisme.
Ik moet opmerken dat veel liberalen dol lijken te zijn op de term ‘raciaal kapitalisme’. Zij zijn meer dan wie ook verantwoordelijk voor de verspreiding ervan in de afgelopen jaren, althans in de academische wereld. Liberalen gebruiken de term om iets aan te duiden als een economie waarin bazen zwarte mensen en andere minderheden discrimineren. Hun ideale wereld is er een van niet-raciaal kapitalisme – arbeidsuitbuiting zonder discriminatie. Dat is een ideaal dat heel ver afstaat van de visie van zwarte marxisten op socialisme.
Maar om terug te komen op mijn eerste punt: waar het hier echt om gaat, is ons begrip van kapitalisme, raciale overheersing en de relatie tussen beide. Het maakt echt niet uit of men de woorden ‘raciaal kapitalisme’ gebruikt of niet. De zwarte marxistische traditie zelf laat duidelijk zien dat we die woorden niet nodig hebben om die zaken te begrijpen. De uitdrukking zal ons niet op magische wijze verlichten, en sommige betekenissen van de term – de raciale reductionistische en liberale definities – zullen ons alleen maar op een dwaalspoor brengen.
Om terug te komen op waar we begonnen zijn: het is essentieel om precies te begrijpen hoe het kapitalisme de belangrijkste basis van raciale overheersing is geweest en blijft. Dat betekent dat je racisme niet kunt uitbannen zonder het kapitalisme te vernietigen of op zijn minst sterk te beperken en te reguleren. Dat is de boodschap van de zwarte marxistische traditie.
Jeff Goodwin is hoogleraar sociologie aan de New York University en is momenteel voorzitter van de afdeling marxistische sociologie van de American Sociological Association. Hij heeft veel geschreven en gepubliceerd over sociale bewegingen en revoluties. Goodwin is al jarenlang lid van Democratic Socialists of America (DSA).
Jonah Birch levert regelmatig bijdragen aan Jacobin. Hij heeft een doctoraat in de sociologie van de New York University.
Dit artikel stond op Jacobin. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen