Van selectieve blindheid en kleine jongens

'Bouterse for president? Het moet niet veel gekker worden'. Zo eindigde ik in 2010 mijn bijdrage aan de bundel Suriname en ik; Persoonlijke verhalen van bekende Surinamers over hun vaderland (J. Leerdam en N. Beijer, red., Meulenhoff 2011). Dat is dus nu geschied: Bouterse heeft als president kans gezien een amnestiewet voor te stellen en door de Assemblee heen te drukken, waardoor hij en zijn 21 handlangers, zoals het er nu naar uitziet, gevrijwaard zullen zijn van berechting voor de 8 December moorden.

Laat ik één kern naar voren halen, die me opviel bij het navrante schouwspel van de laatste weken, en het zegt ook iets over de mindset van waaruit Bouterse c.s. opereren.

Bouterse hield zich als regisseur van dit vanuit zijn partij, de Nationale Democratische Partij, geregisseerde toneelstuk ogenschijnlijk op de achtergrond. Zijn coulissen waren in Guyana, een van de weinige plekken waar hij zich nog kan vertonen, en zijn zeer aanwezige afwezigheid was erop gericht het belang van zijn ambt te benadrukken. Als president had hij immers belangrijkere verplichtingen dan dat hij zich met gesteggel bezig kon houden.

Intussen voerden zijn toneelknechten het gooi- en smijtwerk in de Assemblee uit. Wij moesten begrijpen dat het hier om een staatsbelang ging en niet om een particulier belang; de functie van president van de Republiek mocht niet bezoedeld worden met een vonnis. Die combinatie van het inroepen van hoge rechtsstatelijke principes door een club die zulks normaliter op allerlei manieren aan zijn laars lapt, zou lachwekkend zijn, als het niet zo treurig, onbeschaamd en angstwekkend was. Of het nu om de buiten alle reguliere kanalen om verleende gratie voor zijn stiefzoon gaat, die als moordenaar nog een jarenlange gevangenisstraf uit te zitten had; om de exorbitante beloningen die hij zichzelf en zijn entourage toeschuift of om de oprichting van zijn eigen particuliere gewapende knokploeg, het zijn allemaal gestes die de rechtsorde terzijde schuiven.

Bouterse’s opvatting is dat hij, met God on his side, boven de wet staat en hij wordt daarin slaafs gevolgd door zijn medestanders. Ik zag twee subthema’s in het toneelstuk: het eerste was dat we de Decembermoorden als een éénmalige misstap moesten interpreteren. Het tweede was dat Bouterse wil dat we hem bekijken zoals hij bij voorkeur over zichzelf spreekt, namelijk als de kleine Indiaanse jongen, die het ver geschopt heeft en die het beste met land en volk voor heeft: Gods gave aan de Surinaamse mensheid. Met dit beeld toont hij zich buitengewoon toegeeflijk tegenover zichzelf, narcistisch, en hij maakt duidelijk niet gebukt te gaan onder overmatige zelfreflectie. Hij eist replicatie van zijn eigen selectieve blindheid, want alleen dan komt het goed.

Maar Suriname was niet de enige ergerniswekkende speler in dit treurspel. Ook van de Nederlandse rol werd ik niet blij. Ook hier valt weer iets te zeggen over mindset. Het was weinig verheffend Nederland te zien worstelen met de rol die het zou spelen in deze volgende episode in het postkoloniale drama, waarbij de boter van de operatie Zwarte Tulp – toen Nederland, begin tachtiger jaren, middels ene kolonel van der Valk, Bouterse in het juntazadel hielp - nog niet is gestold. Er was de nobele rol die hoort bij Den Haag als zetel van het Internationale Strafhof voor misdaden tegen de menselijkheid, maar ja, dan had je wel een beetje cojones nodig, juist wanneer het gaat om een ex-kolonie waarmee de verhoudingen verre van gladgestreken zijn. Dat vereist een andere houding dan tegenover de uitsluitend zwarte staten in Verweggistan, die nu een abonnement hebben op vervolging voor het hof.

In dapperheid had Nederland de laatste decennia niet uitgeblonken, getuige het gebrek aan tekst bij andermans of eigen internationale schendingen van mensenrechten, zoals bijvoorbeeld rond de amnestiewet in Zuid Afrika, waarbij de folteraars van Steve Biko en duizenden anderen vrij uit gingen of bij het drama van Srebrenica. Dus die rol van kleine, maar dappere, ethische natie, hoe verleidelijk ook, kon nu maar beter achterwege blijven.

Wat bleef er dan over? Vrij algemeen was het gevoel dat het Nederland paste zich op de achtergrond te houden, dat wil zeggen geen al te grote globale broek aan te trekken. Dus eerst maar eens rustig kijken hoe de Verenigde Staten, Frankrijk en Canada zich opstellen en dan kon Minister Rosenthal altijd nog zijn verontrusting over de gang van zaken in Suriname uitspreken.

Ook hier dringt het beeld van een klein jongetje zich weer op, maar dit keer één die schuilt achter de brede rug van zijn grotere vriendjes en dan ook zijn stok tevoorschijn durft te halen. Suriname zal er nog van lusten, dreigde premier Rutte die moed gevat had en ja hoor, daar was de bekende toon weer: ouderwets koloniaal, doortrokken van een fundamenteel gebrek aan gelijkwaardigheid tussen onafhankelijke staten. Tegenover de grote buitenwereld kruipt Nederland in zijn schulp, maar tegenover Suriname durft het, met een zetje in de rug tegenwoordig, écht wel. Nederland wordt nog steeds achtervolgd door een dominant zelfbeeld als koloniale natie: tegen wil en dank, maar steeds streng doch rechtvaardig; met zichzelf ingenomen om de eigen voortreffelijkheid en tegelijkertijd bangig. Het is hoog tijd om ook deze selectieve blindheid, die onder andere tot uiting komt in het zelfbeeld en in het buitenlandse beleid, op grond van het koloniale verleden, onder ogen te zien.

Gloria Wekker doceert Gender en Etniciteit aan de Universiteit Utrecht.

Tags
Soort artikel

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop