Er wordt veel geschreven over de economische ineenstorting en de verschrikkelijke sociale crisis en desintegratie van de ‘Bolivariaanse Revolutie’ in Venezuela. Maar de ontwikkelingen daar worden in de media nauwelijks geanalyseerd. We verkennen hier wat achtergronden en de dynamiek van deze ramp. George Souvlis interviewde Jeffery R. Webber voor het online tijdschrift salvage.zone Het gesprek is zeer breed en gaat over de ontwikkelingen in Latijns-Amerika vanaf de jaren ‘70, waaronder Latijns-Amerika als proeftuin voor neoliberale hervormingen, de daaropvolgende groei van autonome sociale bewegingen, de Bolivariaanse revolutie, de ‘roze golf' van linkse regeringen en recente ontwikkelingen. Webber is docent aan de Queen Mary Universiteit in Londen. We publiceren hier de laatste set vragen van deel 1 van het interview over de huidige crisis in Venezuela.
Laten we het over Venezuela hebben. Wat heeft het regime van Chávez opgeleverd en wat waren de belangrijkste beperkingen? Hoe beïnvloedde de wereldwijde economische crisis het Bolivariaanse proces? Wat is de erfenis van Chávez en wat is er veranderd sinds zijn dood?
Het ritme van het Bolivariaanse proces loopt enigszins uit de pas met de rest van de ‘roze golf’. Een standaard verhaal van aanhangers van Chávez en intellectuelen die sympathiek tegenover hem staan, is om de Caracazo-opstanden van 1989 aan te wijzen als de oorsprong van het proces en vanaf dat moment een voortgaand opwaarts traject - althans tot voor kort - in kaart te brengen. Deze verklaring is nuttig voor zover onze aandacht niet wordt gericht op institutionele parlementaire politiek en historische verhalen over ‘grote mannen’ met een smalle focus op de biografie en het leiderschap van Hugo Chávez en de reeks verkiezingen sinds 1998. Maar aan de andere kant kan deze verklaring misleidend zijn als er nagelaten wordt om op te merken dat de kracht en de omvang van de Venezolaanse volksbewegingen in de jaren ‘90 en de vroege jaren 2000 niet in de buurt kwamen van die in Bolivia of Ecuador, of zelfs maar Argentinië. Chávez werd niet gekozen als gevolg van grote opstanden en linkse politieke vernieuwing. Integendeel, zijn haastig in mekaar geflanste electorale coalitie tijdens de verkiezingen van 1998 was succesvol, omdat die een vacuüm vulde in een situatie waarin het akkoord waarin de traditionele partijen elkaar sinds 1958 afwisselden, in onherstelbaar verval was, de neoliberale herstructurering van de jaren ‘90 diep in diskrediet gebracht was, sociale bewegingen zwak waren, de arbeidersbeweging gedomineerd werd door een bureaucratische kaste trouw aan de traditionele partijen en er geen linkse partijen van enige sociale of politieke betekenis overgebleven waren. Chávez stapte met een bescheiden derde-weg programma van sociaal liberalisme, anti-corruptie en een grote hoeveelheid Latijns-Amerikaans neostructuralisme [waarin, tegenover het neoliberalisme, een sterke positie van de staat en de regering wordt geformuleerd] in dit vacuüm via het lezen van Osvaldo Sunkel [een Chileense econoom en schrijver over de ‘dependency-theorie’ – red.] tijdens zijn gevangenschap naar aanleiding van zijn rol in een mislukte poging tot staatsgreep in 1992. De eerste periode van de Bolivariaanse ervaring in de regering strekte zich uit van de daadwerkelijke ambtsaanvaarding van Chávez in het begin van 1999 tot 2002. De onderscheidende initiatieven van deze eerste fase waren het formuleren van een nieuwe progressieve grondwet via een participatieve grondwetgevende vergadering in 1999 en pogingen om weer publieke controle te krijgen over de staatsoliemaatschappij PDVSA, die in de jaren ‘70 was genationaliseerd, maar een ‘staat binnen de staat’ was geworden, voornamelijk actief als private, autonome entiteit. Hoewel er slechts een gematigd traject van sociale hervormingen was ingeslagen in deze vroege jaren, was dat voldoende om een vuurtje onder Venezolaans rechts te stoken. Ze deden in april 2002 een mislukte poging tot staatsgreep, gevolgd door een lockout in de olieindustrie in 2002-2003, bedoeld om de regering-Chávez te destabiliseren door de bloedtoevoer van de Venezolaanse economie af te snijden. Pas later, door de defensieve mobilisatie van de achterban van de democratisch gekozen Chávez in de arme wijken van Caracas en elders, ontstond er een nieuwe opgang van volksorganisaties van onderop - samen met een radicalisering van de overheid van bovenaf - zodanig, dat het Bolivariaanse proces tussen 2003 en de nationale verkiezingen van 2006 misschien wel de meest creatieve en dynamische periode meemaakte, die samenviel met een piek in de internationale prijs van olie in 2004. De fenomenale stijging van de overheidsinkomsten stond de uitbreiding van de, terecht gevierde, sociale programma's van Chávez – vooral de gezondheids- en onderwijsprogramma’s - toe. De armoede werd drastisch teruggebracht, participatieve democratie werd uitgebreid door wat gemeenteraden en uiteindelijk gemeenten zouden worden. Er waren initiatieven van arbeiderscontrole in niet-strategische delen van de economie, de ontwikkeling van coöperaties begon te versnellen en de toezegging van Chávez om ‘socialisme van de 21ste eeuw' op te bouwen, werd voor het eerst in 2005 aangekondigd. In geopolitieke termen, bekostigden de olie-inkomsten de initiatieven van Chávez van verschillende, potentieel contra-hegemoniale, regionale projecten, zoals het samenwerkingsverband tussen verschillende Latijns-Amerikaanse en Caribische landen ALBA, de Bank van het Zuiden, de gemeenschappelijke munt Sucre en Petrocaribe. Al deze projecten zijn nu op sterven na dood of ernstig ziek, maar in het midden van de jaren 2000 vertegenwoordigden zij een potentiële basis voor de grensoverschrijdende samenwerking tussen het groeiende aantal linkse en centrumlinkse regeringen in Zuid-Amerika en de relatieve autonomie ten opzichte van door de VS gedomineerde instellingen, zoals de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS).
Tegenstrijdigheden tussen de top en de basis
Deze parallelle binnenlandse en regionale radicaliseringsprocessen werden massaal gesteund, zoals de overweldigende steun voor Chávez in de verkiezingen van 2006 liet zien. 2006 was echter ook, zoals Julia Buxton in een recent interview in New Left Review (mei-juni 2016,) aangeeft, het begin van een derde fase die wordt gekenmerkt door ideologisch beperkende maatregelen met betrekking tot het interne pluralisme binnen de heersende Chávistische kringen en ondersteunende instellingen. De oprichting van boven af van de Partido Socialista Unido de Venezuela (Verenigde Socialistische Partij van Venezuela, PSUV) in 2007 genereerde in eerste instantie enthousiasme en miljoenen nieuwe leden, maar de partij realiseerde nooit haar potentieel als gevolg van het rigide verticalisme, gebrek aan intern debat en de veralgemeende afwezigheid van participatieve democratie binnen de partij. In de daaropvolgende jaren werd de partij teruggebracht tot niet veel meer dan een verkiezingsmachine. Een echt onafhankelijke vakbeweging kwam nooit goed van de grond, ondanks verschillende pogingen. In 2007 ondervond Chávez zijn eerste verkiezingsnederlaag nadat zijn voorgestelde pakket van grondwetswijzigingen in een volksreferendum werd verworpen. Het resultaat was een product van top-down besluitvorming in de aanloop naar het referendum en scepsis over de bureaucratisering van het Bolivariaanse proces. Wat duidelijk werd in deze derde periode was het toenemende belang van de oliesector als bijna de enige motor van de Venezolaanse economie. Industrialisatieprojecten onder Chávez verbleekten in vergelijking met de pogingen daartoe tijdens de laatste grote opbloei vanwege de olie in de eerste regeerperiode van Carlos Andrés Pérez in het midden van de jaren ‘70. Onder Chávez werden er nationalisties doorgevoerd in de telecommunicatie, de elektriciteits- en een reeks andere sectoren in een lukraak patroon, maar de overheid werd steeds wantrouwender, zelfs vijandig, tegenover initiatieven van arbeiderscontrole en dwarsboomde vaak de democratie van vakbondsleden in staatsbedrijven. De verdraaiing (door de staat) van de dominante visie van de het ‘socialisme van de eenentwintigste eeuw' naar etatisme (opvatting dat de overheid de samenleving moet sturen in de door haar gewenste richting), werd steeds duidelijker en werd door links binnen het Chávisme bekritiseerd. Etatisme van bovenaf ging gepaard met een gebrek aan strategische overgangsvisie voor de economie, ondanks de retoriek van het socialisme van de 21ste eeuw. Er was een enorm verloop van technisch personeel in de publieke sector en de belangrijkste sectoren van het staatsapparaat en dus ging het in een aantal sectoren regelmatig mis bij de uitvoering van elkaar in sneltreinvaart opvolgende ondoordachte korte termijn initiatieven van de overheid. Een ingewikkeld en gedifferentieerd controlesysteem in het systeem van wisselkoersen en prijzen, gecombineerd met een opzettelijk niet-transparante nationale boekhouding, opende uitgebreide nieuwe mogelijkheden voor corruptie. De belangrijkste economische analyse van deze kwesties is door de marxistische econoom Manuel Sutherland gedaan.
Oude en nieuwe problemen
Als we de a-historische verwijten in de mainstream media laten voor wat ze zijn, zijn dit natuurlijk geen nieuwe problemen in de Venezolaanse politiek en economie; het zijn typische kenmerken van de algemene 20ste-eeuwse patronen in het land. Niettemin is de grootste beperking van het Bolivariaanse project juist het onvermogen geweest om deze afhankelijkheid te veranderen. De intensivering van de petro-economie onder Chávez heeft geleid tot belangrijke structurele vervormingen en tegenstellingen, zelfs vóór de recente gevolgen van de wereldwijde crisis in de vorm van dalende olieprijzen. Het betekende de ondermijning van de binnenlandse productie, een stortvloed aan verkeerd ingezette gesubsidieerde vreemde valuta die bedoeld was om de aankoop en import van voedsel en elementaire consumptiegoederen te betalen. Tegen 2012 was, volgens een voormalig president van de Centrale Bank, van een toegewezen 59 miljard dollar in gesubsidieerde vreemde valuta, ongeveer 20 miljard dollar overgeheveld naar lege vennootschappen zonder productieve doeleinden en dus in handen van civiele en militaire bureaucraten en daarmee verbonden kapitalisten - samen de pijlers van de zogenaamde bolibourgeoisie. Wat dit suggereert, is dat sommige van de problemen van het Bolivariaanse proces van nu niet herleidbaar zijn tot de korte termijn politieke fouten na de dood van Chávez, of tot een ongerepte erfenis die vergiftigd is door onbekwaam nageslacht. Er zijn duidelijk structurele en historische grenzen aan het project die veel dieper gaan. Terwijl het Bolivariaanse proces een aantal sociale en participatieve prestaties liet zien, waren deze altijd kwetsbaar, gezien het falen van het Bolivariaanse proces - en de bredere regionale Roze Golf – om de historisch ondergeschikte rol van Venezuela en de regio in de internationale arbeidsverdeling te veranderen. In feite nam de afhankelijkheid van olie toe. In 1998 was het aandeel van olie in de totale exportwaarde 68,7%, terwijl het in de afgelopen jaren gestegen is tot 96%. De sociale verworvenheden van het Bolivariaanse proces zijn altijd zeer kwetsbaar geweest door een uiterste gevoeligheid voor schommelingen op de wereldwijde oliemarkten.
Een economische en sociale ramp
De recente crisis van het wereldkapitalisme heeft Venezuela een hevige klap toegebracht. Al in 2009 begonnen de gevolgen scherp voelbaar te worden. Maar in de afgelopen drie jaar heeft de crisis een geheel nieuw niveau bereikt, dat internationaal Links niet kan ontkennen. De olieprijs ging omlaag van 100 dollar in 2013, via 88 dollar in 2014 en 45 in 2015 naar zelfs 24 dollar in 2016. De sociale, politieke en economische gevolgen zijn dramatisch geweest, zoals Egardo Lander aangeeft in het recente onverbloemd harde rapport voor het Regionale Bureau in de Andes van het Rosa Luxemburg Instituut. Volgens de laatste cijfers van de Economische Commissie van de VN over Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, had Venezuela in 2014 een krimp van het bruto binnenlands product (BBP) van -4,0, in 2015 van -7,1, en een verdere verwachte krimp van -7,1 in 2016. Terwijl de schulden als percentage van het BBP nog niet een structureel breekpunt met serieus teruglopende inkomsten bereikt hebben, is de mogelijkheid voor de staat om de schulden te betalen verzwakt, en kelderen de internationale reserves - volgens Lander waren de beschikbare internationale reserves in juni 2016 slechts 41% van die beschikbaar waren aan het einde van 2012. De inflatie is de hoogste ter wereld. Schaarste van elementaire levensmiddelen, voedsel en medicijnen is toegenomen door de doorverkoop van gesubsidieerde goederen op de binnenlandse zwarte markt, of smokkel naar naburige markten in Colombia. Dit gebeurt zowel op grote schaal door corrupte ambtenaren en met hen verbonden kapitalisten die gebruik maken van het extreme verschil tussen de prijzen, als op kleine schaal als een overlevingsstrategie van arme gezinnen die betrokken zijn bij kleine, informele, illegale handel. De gezondheidsdiensten zijn sterk in verval. Het gebrek aan apparatuur en medicijnen, leidt ertoe dat Venezolanen die zelf de mogelijkheid hebben om deze middelen particulier te verwerven, ze aan de ziekenhuizen of gezondheidscentra leveren voor hun eigen behandeling. Buiten Caracas werd de elektriciteit dit jaar voor langere tijd gerantsoeneerd tot vier uur per dag. Zoals te verwachten, raken al deze ontwikkelingen de armen het hardst, terwijl eerdere sociale verworvenheden van het Bolivariaanse proces teruggedraaid worden, de armoede toeneemt en de ongelijkheid toeneemt en nieuwe vormen aanneemt. Deze structurele economische crisis was de weinig benijdenswaardige situatie waarin Nicolás Maduro, de opvolger van Chávez, het presidentschap overnam. Een eendimensionale karakterisering van de crisis als een product van de tekortkomingen van zijn leiderschaps moet worden afgewezen. Maar de regering-Maduro heeft nauwelijks vertrouwen gewekt, omdat zij heeft geprobeerd om deze ernstige structurele dynamiek te reduceren tot ‘voortdurende machinaties van het imperialisme en een ’economische oorlog’ door de kapitalisten’.
De ellende van het rentenierskapitalisme
De strijdlust van het kapitaal en de belangen van het imperialisme in het afzetten Maduro zijn groot. Het herinnert aan de rechtse tactische manoeuvres in Chili onder Allende (1973), er is sprake van hamsteren van voedsel en basisgoederen door particuliere producenten in een poging om tekorten te vergroten en de overheid te destabiliseren. Ondertussen bestempelde Obama, met ongeveer evenveel geloofwaardigheid als de maniakale vrees van Reagan voor de Sandinisten in Nicaragua in 1980, de Venezolaanse politieke en economische situatie vorig jaar nog als een bijzondere bedreiging voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten. De Verenigde Staten hebben consequent de anti-Bolivariaanse oppositie financieel gesteund, niet in het minst via de National Endowment for Democracy, met in de afgelopen jaren een bijzondere nadruk op de studentenoppositie. Toch is de algehele beoordeling van de crisis door de overheid ongeloofwaardig en een groot deel van de bevolking is daar de dupe van. In plaats van een 'economische oorlog’ of imperialisme, is de belangrijkste zorg over de huidige crisis in Venezuela, de gebruikelijke ellende van het rentenierskapitalisme in een situatie van dalende rente. In de context van het verschijnen van die onderliggende structurele tegenstellingen en het falen van de regering-Maduro om aannemelijke exitstrategieën voor te stellen, profiteren binnenlandse Rechts en het imperialisme en gaan in de aanval. Dit valt natuurlijk samen met electorale verschuivingen naar rechts in Argentinië onder Mauricio Macri en de uitvoering van de parlementaire coup in Brazilië. De steun van de bevolking voor Maduro bevindt zich in een vrije val, ondanks het feit dat de rechtse oppositie-coalitie, Mesa de Unidad Democrática (Rondetafel van Democratische Eenheid, MUD) weinig vertrouwen wekt. In de presidentsverkiezingen van maart 2013 versloeg Maduro de MUD-kandidaat Henrique Capriles met minder dan twee procent van de stemmen. Ter vergelijking: Chávez won met een verschil van bijna 11% van de oppositie in de laatste verkiezingen waaraan hij deelnam. Dit werd gevolgd door de verkiezingsoverwinning van MUD voor de Nationale Assemblee in december 2015, die de patstelling tussen de uitvoerende macht en de Assemblee verbrak, met de veelvuldige toevlucht tot presidentiële decreten van Maduro als gevolg. Capriles en zijn aanhangers weigerden in 2013 de verkiezingsuitslag te accepteren. Er waren echter geen bewijzen van fraude. En hij was in 2013 in eerste instantie voorstander van gewelddadige straatprotesten, waarbij acht aanhangers van de regering gedood werden. Maar toen de protesten als een nachtkaars uitgingen, sloot hij een aantal compromissen met Maduro en koos ervoor om zich hoofdzakelijk op de institutionele strijd in de komende verkiezingen voor de gemeenteraaden- en de Assemble te richten. Dit bood een opening voor de op Harvard opgeleide ‘hard-rechtse’ Leopoldo López (die nu in de gevangenis zit), Nationale Assemblee afgevaardigde María Corina Machado en de burgemeester van Caracas, Antonio Ledezma. Rond de leuze ‘Vertrek’, mobiliseerden ze in februari 2014 hun achterbannen in gewelddadige demonstraties met de uitdrukkelijke bedoeling om de democratisch gekozen regering Maduro omver te werpen. Drieënveertig mensen werden gedood, ten minste de helft door de oppositie. De rechtse oppositie blijft haar pragmatische relatie met de subtiliteiten van de liberale democratie tonen - om te gebruiken als er gewonnen kan worden, maar indien nodig neemt ze haar toevlucht tot geweld en destabilisatie. Toch kan de meerderheid van de nieuwe tegenstanders van Maduro niet gelijkgesteld worden met de georganiseerde coupplegers. Volgens verschillende opiniepeilingen beschouwt waarschijnlijk de helft van de bevolking zich niet als aanhanger van de regering, noch van de oppositie, of heeft geen mening; maar het percentage negatieve beoordelingen van het presidentschap van Maduro is veel hoger. Met andere woorden, er is behoorlijke onvrede onder de bevolking over de regering Maduro, niet alleen van de felle rechtse fanatici van de oppositie.
Afzettingsreferendum
De nieuwste politieke ontwikkeling draait om een referendum om Maduro af te zetten. De grondwet van 1999 biedt deze mogelijkheid. De Nationale Kiesraad (CNE) erkende in augustus, na de twijfelachtige verwerping van 600.000 van de twee miljoen handtekeningen voor een petitie waarin wordt opgeroepen tot een referendum, dat de oppositie succesvol de handtekeningen van meer dan één procent van de geregistreerde kiezers had verzameld, waardoor toestemming ontstaat voor de volgende fase: het verzamelen van handtekeningen van 20 procent van de kiezers, wat de mogelijkheid zou openen een referendum te houden. Als het referendum gehouden wordt vóór januari 2017, halverwege de termijn van Maduro, en succesvol is in het verslaan van Maduro, wat waarschijnlijk is zoals het er nu naar uitziet, zouden er nieuwe nationale verkiezingen gehouden moeten worden. Als het referendum pas ná januari 2017 gehouden wordt, dan zou Maduro moeten aftreden en zou de huidige vicepresident, Aristóbulo Istúriz gewoon de afwerking van de presidentiële termijn voor zijn rekening nemen. [De kiescommissie heeft zich inmiddels uitgesproken voor het latere tijdstip van het referendum - redactie] Het is duidelijk dat de overheid probeert het referendumproces te vertragen, zodat het pas ná het beslissingsmoment in januari gehouden kan worden. Maar het is ook waar, zoals Gabriel Hetland onlangs in The Nation aangaf, dat de oppositie zelf het referendumproces op een aantal manieren heeft vertraagd, inschattend dat, gezien de ernst van de crisis en de waarschijnlijk verdere verslechtering op de korte termijn, het beter voor hen zou zijn als Isturíz opgezadeld zou worden met de last van het staatsbestuur tot de geplande verkiezingen in 2019. In dat stadium zou het Bolivariaanse project zo in diskrediet gebracht zijn, dat alleen de meest onbekwame oppositie er niet in zou slagen de teugels van de staat in handen te nemen. Dit artikel verscheen eerder op Solidarity en is vertaald door redactie Grenzeloos.
Reactie toevoegen