De autoritaire wending in Venezuela en de onderdrukking van links

Sinds de omstreden verkiezingen van 2024 in Venezuela is de regering van Nicolás Maduro steeds autoritairder geworden. In de dagen na de verkiezingen zijn meer dan 2.000 mensen opgepakt en de gerichte vervolging is uitgebreid naar journalisten, vakbondsleden, academici en mensenrechtenactivisten.

Mensenrechtenactiviste Marta Lía Grajales verdween twee dagen nadat ze de brute mishandeling had aangeklaagd van moeders die vrijheid eisten voor hun gevangen kinderen. María Alejandra Díaz, een chavistische advocate en voormalig lid van de grondwetgevende vergadering, werd haar licentie ontnomen en lastiggevallen nadat ze had opgeroepen tot transparantie bij het tellen van de stemmen. Die gevallen laten een bredere strategie van intimidatie en criminalisering zien.

De repressie richt zich vooral op kritisch links. De afgelopen maanden hebben officiële media Edgardo Lander, Emiliano Terán Mantovani, Alexandra Martínez, Francisco Javier Velasco en Santiago Arconada beschuldigd van het vormen van een zogenaamd 'netwerk van buitenlandse inmenging' dat zich voordoet als academisch en milieuwerk. Instellingen zoals de Faculteit Economische en Sociale Wetenschappen van de Centrale Universiteit van Venezuela, CENDES, het Observatorium voor Politieke Ecologie en de Rosa Luxemburg Stichting zijn ook in diskrediet gebracht als onderdeel van die vermeende samenzwering.

Edgardo Lander — socioloog, gepensioneerd professor aan de Centrale Universiteit van Venezuela en een vooraanstaande stem in Latijns-Amerikaanse debatten over democratie, extractivisme en de toekomst van links — behoort tot degenen die het doelwit zijn. Zijn kritische werk over de Orinoco Mining Arc en zijn vasthoudendheid aan onafhankelijk denken hebben hem in het vizier van de regering gebracht.

In dit interview, afgenomen door Anderson Bean, reflecteert Lander op de toenemende onderdrukking in Venezuela, de criminalisering van afwijkende meningen en wat er op het spel staat voor academische vrijheid, democratie en internationale solidariteit. Het gesprek is vertaald en licht bewerkt voor de duidelijkheid en beknoptheid.

Noot van de redactie: dit interview vond plaats vóór de illegale aanval van de Amerikaanse marine op 2 september op een schip onder Venezolaanse vlag in de Caribische Zee, waarbij alle elf opvarenden omkwamen.

Sinds de omstreden verkiezingen van 2024 is de onderdrukking van kritische stemmen geïntensiveerd, met meer dan 2.000 arrestaties en een toename van het aantal gevallen van vervolging. Hoe zou je het algemene klimaat van onderdrukking in Venezuela sinds de verkiezingen omschrijven?

Die verkiezingen waren in veel opzichten een keerpunt in het Bolivariaanse proces van Venezuela. In de afgelopen jaren zijn wat ooit harde grenzen leken – rode lijnen die niet overschreden mochten worden – keer op keer overschreden.

Tot de presidentsverkiezingen van vorig jaar was het systeem over het algemeen betrouwbaar. Ja, er waren een paar geïsoleerde gevallen geweest waarin fraude duidelijk was, zoals bij de gouverneursverkiezingen in Bolívar en Barinas, maar die hadden geen invloed op de resultaten op nationaal niveau. Het geautomatiseerde elektronische stemsysteem van Venezuela, met zijn meerdere veiligheidsmaatregelen, maakte grootschalige fraude erg moeilijk.

Het proces was simpel: je stemde, de machine liet je keuze op een scherm zien en printte vervolgens een papieren ontvangstbewijs. Je controleerde of dat overeenkwam met je stem en deponeerde het in een stembus. Aan het einde van de dag produceerden de machines een rapport en in aanwezigheid van getuigen werden de stembussen geopend en vergeleken met de tellingen van de machines.

De resultaten werden door getuigen ondertekend om te bevestigen dat de elektronische en papieren tellingen overeenkwamen. Daarom waren de Venezolaanse verkiezingen tot dat moment, ik herhaal, fundamenteel betrouwbaar. Maar toen de regering de resultaten begon te ontvangen, besefte ze dat ze niet alleen zou verliezen, maar ook nog eens zwaar. Ze dachten misschien dat ze een kleine nederlaag konden incasseren en vervolgens de resultaten in een paar staten konden manipuleren om toch nog met een overwinning weg te komen.

Maar de marge van de nederlaag was zo overweldigend dat dat onmogelijk was. Dus gooiden ze gewoon de spelregels overboord.

Ze beweerden dat het systeem was gehackt vanuit Noord-Macedonië. Toen verscheen het hoofd van de Nationale Kiesraad – letterlijk met een servetje in zijn hand – en las hij verzonnen cijfers voor die niets te maken hadden met de werkelijke stemming. Niet lang daarna werd Maduro tot winnaar uitgeroepen.

Dat was een zeer belangrijke rode lijn, omdat het de verschuiving markeerde van een regering die weliswaar publieke middelen manipuleerde, staatsambtenaren bedreigde, de oppositie onderdrukte en intimideerde, oppositiepartijen belette activiteiten uit te voeren, enzovoort, maar waar op de verkiezingsdag zelf de stemmen van de mensen tenminste getrouw door de machines werden geregistreerd. Voor het eerst besloten ze schaamteloos de spelregels te overtreden en het begrip verkiezingen uit het politieke of democratische spel te schrappen. Dat was een stap in de richting van een regime dat zich openlijk autoritair toonde en zowel de grondwet als de verkiezingsnormen negeerde.

Dat leidde natuurlijk tot massale protesten, waarop de regering reageerde met massale arrestaties. Veel van die arrestaties waren volkomen willekeurig: jongeren die toevallig voor hun huis stonden of net brood waren gaan kopen, werden beschuldigd van terrorisme en meegenomen. De regering heeft in feite toegegeven dat ze geen meerderheidssteun kan krijgen en dat ze, als ze aan de macht wil blijven, dat moet doen door middel van onderdrukking en het zaaien van angst onder de bevolking.

Daarom waren er na de verkiezingsdag twee dagen lang grote demonstraties. Minstens 25.000 mensen gingen de straat op en bijna 2.000 werden gearresteerd tijdens een harde onderdrukking. Daarmee slaagden ze erin om angst te zaaien en mensen terug naar huis te jagen.

Sindsdien is die logica van systematische onderdrukking op elk niveau doorgegaan. Dat heeft geleid tot de arrestatie van journalisten, de arrestatie van economen omdat ze cijfers publiceerden die de regering niet bevielen, en de detentie van vakbondsleden en universiteitsprofessoren. Na de massale arrestaties in de dagen na de verkiezingen is de onderdrukking selectiever geworden, maar ze evolueert gestaag naar een totale intolerantie ten opzichte van afwijkende meningen.

De regering heeft de afgelopen maanden meerdere mediakanalen gesloten en een reeks wetten afgekondigd – de 'anti-haatwet', de 'antiterrorismewet' en andere – die erop gericht zijn elke vorm van oppositie, hoe vreedzaam ook, strafbaar te stellen, omdat elke vorm van verzet onmiddellijk als terrorisme wordt bestempeld.

Vandaag de dag hebben we te maken met een regering die elke mogelijkheid tot het uiten van afwijkende meningen, elke ruimte waarin die kunnen bestaan, probeert te ontkennen. Dat verklaart de aanvallen op universiteiten, journalisten en de systematische campagne tegen ngo's. Omdat de regering erop staat alles te framen als een strijd tussen een ‘revolutionaire regering’ en ‘imperialistische agressie’, worden ngo's bestempeld als door het buitenland gefinancierde instrumenten, geleid door de CIA, met als doel de regering te ondermijnen. Recentelijk omvatte dat onder meer het aanvallen op de Rosa Luxemburg Stichting en het bestempelen van aanklachten tegen de Orinoco Mining Arc als aanvallen op de staat.

Een heel recente en belangrijke mijlpaal in de autoritaire ontwikkeling was de aanval op de wake van de moeders van politieke gevangenen. Die moeders, wier zonen gevangen zitten, waren van het ene overheidsgebouw naar het andere gegaan, totdat hen werd verteld dat alleen de president van het Hooggerechtshof over hun zaken kon beslissen. Ze gingen naar de rechtbank, vroegen om een audiëntie, werden geweigerd en besloten toen om buiten op het plein een wake te houden. Ze zetten een tent op, kregen gezelschap van mensenrechtenactivisten en hadden zelfs kinderen bij zich. Rond tien uur 's avonds werd de permanente bewaking buiten het hof teruggetrokken, werden de lichten in het gebied uitgedaan en kwamen er ongeveer 80 leden van pro-regeringscollectieven, sommigen gemaskerd. Ze sloegen de moeders, stalen hun mobiele telefoons en identiteitskaarten en joegen hen midden in de nacht van het plein. Veel van de moeders waren uit de provincies gekomen en zaten nu vast in de stad, zonder dat ze konden communiceren.

Het was echt schandalig, weer een stap verder in de autoritaire logica. En toen de moeders een klacht wilden indienen bij het Openbaar Ministerie en de Ombudsman, kregen ze te horen dat er niks aan te doen was, omdat het een 'privéactie' van collectieven was geweest, niet van de politie – een belachelijke bewering.

De aanval op intellectuelen, op de Centrale Universiteit van Venezuela – die een belangrijke plek is geworden voor denken en verzet – maakt deel uit van een bredere strategie: elke plek waar stemmen kunnen klinken die afwijken van die van de regering, wordt behandeld als een vijand, als een agent van het imperialisme, die vervolgd moet worden. Dat zijn de nieuwe spelregels.

Het afgelopen jaar hebben we gevallen gezien waarin zelfs mensen met een chavistische achtergrond werden onderdrukt – bijvoorbeeld Marta Lía Grajales, die in een busje zonder nummerbord werd gedwongen en vastgehouden nadat ze de gewelddadige mishandeling had aangeklaagd van moeders die protesteerden voor de vrijlating van hun kinderen, een episode die je zojuist beschreef, en María Alejandra Díaz, een advocate en voormalig lid van de grondwetgevende vergadering, die haar vergunning kwijtgeraakt is nadat ze transparantie had geëist bij de verkiezingen van 2024. Wat zeggen die gevallen over de bereidheid van de regering-Maduro om voormalige bondgenoten en haar eigen achterban aan te pakken? Kun je ook wat meer vertellen over hun situatie en waarom die belangrijk is?

Marta Grajales was inderdaad ongeveer tweeënhalve dag verdwenen. Haar man en mensenrechtenorganisaties gingen langs bij de gebruikelijke detentiecentra waar mensen in die omstandigheden naartoe worden gebracht, en in elk daarvan werd hen verteld dat ze daar niet was. De reactie was zo heftig – mobilisatie van de Latijns-Amerikaanse publieke opinie, de academische wereld, netwerken van maatschappelijke organisaties en zelfs delen van de chavistische achterban – dat de regering, naar het schijnt (ik weet het niet zeker, maar het lijkt waarschijnlijk), verrast was door de kracht van de reactie en besloot Marta meteen vrij te laten.

Dat betekent niet dat ze vrij is: ze wordt nog steeds geconfronteerd met zeer ernstige aanklachten die kunnen leiden tot tien jaar gevangenisstraf als haar zaak voor de rechter komt en ze wordt veroordeeld. Maar wat nu al duidelijk is, is dat het hier niet gaat om het onderdrukken van de rechtse oppositie. Marta is geen rechtse politicus – ze is een compañera, een activiste die al jarenlang aan de kant van Chávez staat. Het punt is dat het niet meer uitmaakt of iemand een partijkaart heeft, een strijdbare achtergrond of zich al jaren met de regering identificeert. Chavista zijn biedt geen bescherming meer.

Daarom benadruk ik een van de belangrijkste kenmerken van het huidige politieke moment, vervat in een hashtag die de afgelopen dagen veel regeringsverklaringen heeft begeleid: 'Twijfelen is verraden.' Ze herhalen het keer op keer. En dat is een teken van zwakte, van onzekerheid, want er zijn mensen binnen de strijdkrachten, de politie en zelfs de chavistische achterban die het niet eens zijn met wat er gebeurt. In deze context is het niet alleen verboden om misstanden aan de kaak te stellen, het is zelfs verboden om te twijfelen. Iedereen die twijfels heeft, moet die voor zich houden, want het uiten van twijfel wordt beschouwd als verraad.

Dat is een nieuw autoritair model waarin niet alleen autonome organisaties verboden zijn, maar zelfs vakbonden als achterhaald zijn bestempeld – Maduro heeft aangekondigd dat hij een nieuwe structuur zal creëren om ze te vervangen. Hij heeft ook de oprichting van milities op de werkplek aangekondigd: 450.000 gewapende mensen op werkplekken in het hele land, zogenaamd om weerstand te bieden aan het imperialisme als de mariniers arriveren. Dat alles sluit elke mogelijke democratische ruimte, elke uitlaatklep voor vrije meningsuiting. Het doel is om angst te zaaien – angst om de straat op te gaan, angst om je uit te spreken, angst onder journalisten die zichzelf censureren – zodat we uiteindelijk een gesloten regime hebben zonder enige keuze.

Maduro's relatie met links op het hele continent is enorm verslechterd. De enige regeringen waarmee hij nog samenwerkt zijn Cuba, Nicaragua en, tot op zekere hoogte, Bolivia, tenminste tot de recente verkiezingen. Verder is Venezuela erg geïsoleerd. Natuurlijk is er nog steeds een deel van links dat vasthoudt aan het idee dat 'de vijand altijd het imperialisme is – wie zich tegen het imperialisme verzet is mijn bondgenoot, wie dat niet doet is mijn vijand'. En dus heeft het Forum van São Paulo – de overkoepelende organisatie van veel van de ‘officiële’ linkse partijen in Latijns-Amerika (niet alle, maar een aanzienlijk aantal) – zelfs in deze context van ernstige aanklachten een verklaring afgegeven waarin met geen woord werd gerept over mensenrechten, vervolging of detenties. Ze hadden het alleen over de bedreiging die de Verenigde Staten vormen voor de Venezolaanse soevereiniteit – ze hadden het over iets heel anders.

Dat is zeer ernstig. Ik zeg altijd dat het ergste wat je de linkse beweging, of welke antikapitalistische of progressieve beweging dan ook in de wereld van vandaag, kunt aandoen, is om wat er in Venezuela bestaat 'socialisme' of een 'linkse regering' te noemen. Want dat roept zo'n afkeer op dat mensen begrijpelijkerwijs zeggen: 'Als dat links is, als dat socialisme is, dan stem ik op rechts.' Daarom vind ik het standpunt van het Forum van São Paulo zo verkeerd: het houdt de mythe in stand dat de regeringen van Cuba, Nicaragua en Venezuela revolutionair, progressief en democratisch zijn. En toch kan iedereen de kranten lezen om de realiteit te zien.

In het geval van Venezuela is het nog duidelijker vanwege het enorme aantal migranten dat het land heeft verlaten. Hun verhalen uit de eerste hand over wat ze hebben meegemaakt, kunnen niet worden genegeerd of ontkend – er zijn gewoon te veel mensen die hetzelfde zeggen. Vraag ze waarom ze moesten vertrekken, en de antwoorden stapelen zich op: vanwege dit, en dit, en dit. De getuigenissen zijn overweldigend.

In die context zijn jij en andere vooraanstaande academici in de officiële media beschuldigd van deelname aan een zogenaamd 'netwerk van politieke inmenging, vermomd als academisch en milieuwerk'. Kun je om te beginnen uitleggen waar die beschuldigingen precies over gaan en waar ze vandaan komen? En hoe interpreteer je vervolgens de bredere betekenis van die aanvallen voor de academische vrijheid en het kritische debat in Venezuela? Waarom denk je dat die aanvallen nu plaatsvinden, en wat zeggen ze over de prioriteiten en angsten van de regering op dit moment?

Ik denk dat die beschuldigingen gewoon weer een uiting zijn van wat ik al heb beschreven: een regering die elke vorm van onenigheid met haar beleid wil voorkomen. Het gaat niet alleen om het onderdrukken van arbeiders die mobiliseren voor loonsverhoging, of moeders die de vrijlating eisen van hun gevangen zonen. Het gaat er ook om dat de intellectuele gemeenschap zelf, simpelweg door onderzoek te doen naar het overheidsbeleid, een overtreding begaat.

Neem bijvoorbeeld het onderzoek naar wat er in de Orinoco Mining Arc is gebeurd. Gewoon onderzoeken – vragen wat er met de inheemse bevolking is gebeurd. Studies tonen bijvoorbeeld aan dat inheemse kinderen hoge concentraties kwik in hun bloed hebben. Dat is onderzoek: documenteren wat er werkelijk gebeurt. Maar voor de regering is dat een aanval op haar autoriteit, op haar recht om het beleid te bepalen dat zij passend acht.

Dus als ze mij persoonlijk noemen, is dat niet omdat ik iets bijzonders heb gedaan – behalve meningen geven, deelnemen aan debatten en ideeën verspreiden in Latijns-Amerika. Maar de regering ziet dat als een gevaar, als een bedreiging. En daarom moet het de mond worden gesnoerd. Ze moet proberen intellectuelen, zelfs degenen die slechts gematigd kritische meningen geven, te dwingen zichzelf te censureren – of geen onderzoek te doen dat de regering in diskrediet zou kunnen brengen of ongemakkelijke realiteiten aan het licht zou kunnen brengen.

Dat is een steeds strakkere greep, een belegering die, ik herhaal, steeds dichterbij komt – totdat er bijna geen ruimte meer is om te ademen.

Naast individuen zoals jij zijn ook bekende instellingen zoals de Faculteit Economische en Sociale Wetenschappen van de UCV, CENDES en het Observatorium voor Politieke Ecologie aangevallen. Daaronder valt vooral het geval van de Rosa Luxemburg Stichting op, vooral vanwege haar publieke banden met de Duitse partij Die Linke. Kun je voor degenen die hier misschien niet bekend mee zijn, uitleggen wat de Stichting is, wat voor werk ze in Venezuela heeft gedaan en waarom ze nu het doelwit van aanvallen zou kunnen zijn?

Voor degenen die misschien niet bekend zijn met de Duitse politieke stichtingen, is het de moeite waard om uit te leggen hoe ze werken. In het Duitse politieke systeem krijgen partijen die boven een bepaalde drempel in het parlement vertegenwoordigd zijn, overheidsfinanciering voor een politieke stichting die aan die partij is verbonden. De sociaal-democraten hebben een stichting, de christendemocratische partij heeft er een – de Adenauer-stichting – en de linkse partij, Die Linke, heeft de Rosa Luxemburg Stichting.

Die stichtingen zijn vooral actief buiten Duitsland en richten zich op culturele en politieke discussies. Ze zijn zeker geen politieke activisten die zich direct met de zaken van andere landen bemoeien. De Rosa Luxemburg Stichting heeft kantoren in heel Latijns-Amerika: in Mexico (voor Mexico, Midden-Amerika en het Caribisch gebied), in Brazilië, in Argentinië (voor de Zuidelijke Kegel) en in Quito, dat Venezuela, Colombia, Ecuador en Bolivia bestrijkt.

Tijdens de jaren van progressieve regeringen werkte de Rosa Luxemburg Stichting – en vooral haar Andes-kantoor in Quito – aan een kwestie die sinds het begin van deze eeuw centraal staat in de debatten van linkse en sociale bewegingen in Latijns-Amerika: extractivisme. De vraag wat het betekent om de mijnbouw steeds verder uit te breiden naar nieuwe gebieden, en de verwoesting die dat veroorzaakt op inheems land over het hele continent.

Aan de ene kant moedigden progressieve regeringen processen van volksorganisatie aan, vierden ze die en brachten ze in gang – van stedelijke volkswijken tot inheemse volkeren, veehouders en boeren. Maar extractivistisch beleid betekende ook dat als inheemse volkeren zich verzetten tegen de bezetting van hun grondgebied, de staat reageerde met onderdrukking.

De kwestie van extractivisme en van het bredere ontwikkelingsmodel dat door progressieve regeringen wordt nagestreefd, is dus verweven met de beschavingscrisis waarmee we worden geconfronteerd. Het raakt aan de grenzen van de planeet, aan de rechten van inheemse volkeren, aan bedreigingen voor het milieu. Dat zijn inherent politieke kwesties – het zijn geen neutrale, puur academische zaken. Ze hebben directe gevolgen voor het leven van mensen.

Daarom wordt in het huidige Venezuela zelfs onderzoek naar of openbare kritiek op het extractivistische beleid – zoals het aanvechten van de strategie van de regering in de Orinoco Mining Arc – beschouwd als een directe aanval op de staat. Onlangs is de Rosa Luxemburg Stichting aangewezen als een belangrijke vijand, juist omdat ze debatten, studies en bewegingen heeft gesteund die vraagtekens zetten bij de sociale en ecologische kosten van mijnbouw en extractivisme. Wat in werkelijkheid academisch onderzoek en het opzetten van bewegingen is, wordt door de regering geherformuleerd als politieke subversie.

Denk bijvoorbeeld aan water. Het is moeilijk voor te stellen dat er vandaag de dag ergens ter wereld een beweging bestaat die zich inzet voor water en die niet politiek is. Want als mensen zich inzetten voor water, is dat omdat iemand iets doet om het te vervuilen of uit te putten. Dat maakt het noodzakelijkerwijs een onderwerp van discussie, en discussie gaat altijd gepaard met politieke standpunten.

Het punt is dus niet dat de Rosa Luxemburg Stichting apolitiek is. De kwesties waar ze zich mee bezighoudt – extractivisme, inheemse rechten, bedreigingen voor het milieu – hebben onvermijdelijk een politieke dimensie. Maar het is absoluut geen stichting die beleid ondersteunt of financiert dat gericht is op het ondermijnen van de Venezolaanse regering.

Als er groepen zijn die onderzoek doen naar de Orinoco Mining Arc en hun rapporten laten zien dat illegale mijnbouw in die regio zeer negatieve gevolgen heeft, ziet de regering dat als een aanval op zichzelf. En vanaf dat moment is het enige alternatief dat ze laten bestaan stilte – niemand zegt nog iets over wat dan ook.

De bewering dat de Rosa Luxemburg Stichting wordt gefinancierd door de Duitse regering en daarom deel uitmaakt van een Amerikaans imperialistisch project om Venezuela te ondermijnen, is niet alleen paranoïde, maar ook gewoon een poging om alles op één hoop te gooien en ngo's in hun geheel aan te vallen.

Natuurlijk zijn er veel kleine, diverse organisaties die zich bezighouden met kwesties als verkiezingen, het milieu, mensenrechten, vrouwenrechten, enzovoort. In heel Latijns-Amerika krijgen veel van die groepen externe financiering – soms van kerken, soms van de Europese Unie, soms uit andere bronnen. En de regering probeert dat allemaal te presenteren als onderdeel van één grote imperialistische strategie om die organisaties te financieren met als doel de regering omver te werpen.

Dat is concreet gezien niet echt logisch, maar politiek gezien is het volkomen logisch als manier om de achterban van de regering ervan te overtuigen dat Venezuela wordt aangevallen en dat iedereen die neutraal lijkt – of zelfs sympathiseert met het chavisme – maar vervolgens kritiek heeft op het regeringsbeleid op het gebied van kwesties die de staat als essentieel beschouwt, onmiddellijk deel gaat uitmaken van het vijandelijke kamp. En de vijand moet worden bestreden.

Dat plaatst de Rosa Luxemburg Stichting natuurlijk in een heel lastige situatie. Het wordt heel moeilijk voor haar om haar werk te doen. En de gemeenschappen waarmee ze heeft samengewerkt – kleine boeren, landarbeiders en anderen – raken uiteindelijk de steun kwijt die ze tot nu toe hadden.

Hoe dan ook, het is belangrijk om duidelijk te zijn: het is een kleine stichting. Ze zit niet op miljoenen dollars. Haar projecten zijn bescheiden.

Waarom denk je dat die aanvallen nu plaatsvinden, en wat zeggen ze over de prioriteiten en angsten van de regering op dit moment?

Ik denk dat wat er nu gebeurt te maken heeft met wat ik al zei: de regering voelt zich steeds meer geïsoleerd. Ze voelt zich steeds meer geïsoleerd op internationaal vlak en raakt steeds meer in diskrediet bij links wereldwijd, ook al zijn er spanningen en tegenstellingen op dat gebied. En natuurlijk ziet ze ook ontevredenheid binnen haar eigen achterban.

Dat komt in de eerste plaats doordat de levensomstandigheden van gewone mensen niet verbeteren. Vandaag de dag bedraagt het minimumloon in Venezuela minder dan één Amerikaanse dollar per maand. Dat wordt gedeeltelijk gecompenseerd door verschillende bonussen, die willekeurig worden uitgedeeld aan wie ze maar willen, wanneer ze maar willen – en die worden gebruikt als instrument voor politieke controle over de bevolking.

Wat we hebben is een regering die al lang geleden elk politiek project heeft opgegeven. Het hele discours over het verdiepen van de democratie, over socialisme – dat is gewoon verdwenen uit het zicht. Het enige doel van de regering is nu eigenlijk haar eigen voortbestaan aan de macht.

Om zichzelf in stand te houden, vertrouwde ze vroeger op een zekere mate van steun van het volk. Maar naarmate die steun steeds verder afnam, werd onderdrukking haar enige optie. Daarom leunt haar retoriek nu zo sterk op een beroep op patriottisme, nationalisme, anti-imperialisme en externe bedreigingen. In dat verhaal wordt alles op één hoop gegooid. Ook ngo's worden daarin meegenomen, omdat de regering dat alles niet als een bedreiging voor zichzelf moet framen, maar als een bedreiging voor Venezuela.

Tot slot werken veel van degenen die worden aangevallen, waaronder jijzelf, al lang samen met bewegingen en kameraden in het buitenland. Welke vormen van internationale solidariteit zijn in dit stadium het nuttigst?

Allereerst wil ik, niet alleen met betrekking tot de huidige situatie, maar in meer permanente zin, terugkomen op een punt dat ik eerder heb gemaakt. Voor delen van links in Venezuela die hebben meegemaakt en geleden onder wat er de afgelopen jaren in dit land is gebeurd, is het erg pijnlijk om te zien dat intellectuelen, organisaties en linkse journalisten Venezuela blijven omschrijven als een linkse regering, een socialistische regering of een revolutionaire regering. Dat is hartverscheurend, heel pijnlijk – omdat het betekent dat je alle bewijzen van wat er in het land gebeurt negeert, je ogen sluit voor de realiteit, allemaal in naam van de strijd tegen het imperialisme.

Maar de strijd tegen het imperialisme moet per se betekenen dat je een manier van leven biedt die beter is dan wat het imperialisme biedt – niet slechter. Daarom vind ik het werk dat je doet en het initiatief van je boek zo waardevol: het creëert ruimte voor een serieuze, doordachte, beredeneerde discussie over wat er werkelijk gebeurt, in plaats van te vervallen in een simplistisch, manicheïstisch debat tussen ‘goeden en slechten’ of ‘anti-imperialisten versus pro-imperialisten’.

Dit is een kwestie van solidariteit – niet solidariteit met een regering, maar solidariteit met volkeren. En dat is niet alleen belangrijk voor Venezuela, maar ook internationaal. Het woord ‘socialisme’ wordt in bepaalde delen van de wereld steeds populairder; het trekt zelfs veel mensen aan. Maar als ‘socialisme’ wordt gelijkgesteld aan Venezuela, ondermijnt dat de aantrekkingskracht ervan. Daarom is het absoluut essentieel om het Venezolaanse experiment te onderscheiden van de droom van een andere mogelijke wereld.

Wat het huidige moment betreft, moet de internationale reactie op de arrestatie van Marta Lía Grajales en vervolgens op de beschuldigingen tegen de Centrale Universiteit van Venezuela, CENDES en de Rosa Luxemburg Stichting, een verrassing zijn geweest voor de regering – vanwege de enorme afkeuring die het opriep. En een van de kenmerkende eigenschappen van links is altijd het idee van internationalisme geweest.

Als we nadenken over de crisis van de beschaving, alternatieven voor ontwikkeling, verzet tegen extractivisme, dan kunnen we dat niet binnen de grenzen van één land doen. Dat moet via netwerken die grenzen overschrijden. Tijdens de strijd tegen de Vrijhandelszone van de Amerika's (FTAA/ALCA) twintig jaar geleden was er bijvoorbeeld een opmerkelijke mate van samenwerking tussen vakbonden, studenten, ambtenaren, boeren, inheemse organisaties en feministische bewegingen uit heel Latijns-Amerika, inclusief Canada en de Verenigde Staten. Die samenwerking leidde tot netwerken, kennis, persoonlijke contacten en manieren om informatie te delen.

Die netwerken en die kennis bestaan nog steeds in Latijns-Amerika. Ze hebben niet meer dezelfde kracht als tijdens de strijd tegen de FTAA, maar ze blijven bestaan. Daarom is er zo vaak, als er iets gebeurt in een land in de regio, een reactie op het hele continent – omdat de kanalen om te communiceren wat er gebeurt en om reacties op te roepen nog steeds bestaan.

Dit artikel stond op Tempest. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.

Reactie toevoegen

Plain text

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
Uw reactie zal niet meteen verschijnen, deze wordt eerst goedgekeurd door de beheerder.
pagetoptoptop