Steeds meer landen erkennen een hypothetische entiteit genaamd 'Staat Palestina'. Dat is positief vanwege de symbolische impact ervan op de erkenning van het recht van het Palestijnse volk op een staat. Dat recht ontkennen de meeste geledingen van het zionistische establishment, met name extreemrechts dat momenteel aan de macht is in Israël. De betekenis en implicaties van die erkenning variëren echter sterk in de tijd.
De landen die de Palestijnse staat hebben erkend na de onafhankelijkheidsverklaring door de Palestijnse Nationale Raad in Algiers in 1988, tegen de achtergrond van de grote volksopstand in de in 1967 bezette gebieden, steunden wat toen werd gezien als een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Palestijnse strijd. Dat leek het ook, ook al was de verklaring in feite een afleiding van de oorspronkelijke koers van de opstand. Yasser Arafat en zijn handlangers in de leiding van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) probeerden de illusie van een 'onafhankelijke Palestijnse staat' in stand te houden door de energie van het volk in te zetten voor een door de Verenigde Staten gesponsord diplomatiek onderhandelingsproces.
De verklaring van 1988 werd dan ook meteen gevolgd door Arafats beschamende instemming met de voorwaarde die Washington hem had opgelegd voor onderhandelingen: zijn luide publieke verklaring dat 'wij volledig en absoluut afstand doen van alle vormen van terrorisme' (herhaald tijdens een persconferentie in Genève op 14 december 1988).
De onafhankelijkheidsverklaring had destijds toch het karakter van een uitdagend gebaar en werd gesteund door de landen die het recht van het Palestijnse volk in de gebieden van 1967 om zich te bevrijden van de zionistische bezetting daadwerkelijk steunden. In totaal erkenden 88 landen de nieuw uitgeroepen staat Palestina, waaronder bijna alle Arabische landen (met uitzondering van het Syrische regime van Assad, een bittere tegenstander van het Palestijnse leiderschap), de meeste landen in Afrika en Azië (met enkele logische uitzonderingen, zoals het apartheidsregime in Zuid-Afrika, een oude bondgenoot van de zionistische staat) en de landen van het door de Sovjet-Unie gedomineerde Oostblok. In een opvallende wereldwijde tweedeling erkende geen enkel land van het westerse blok, onder leiding van de Verenigde Staten, destijds de Palestijnse staat, met uitzondering van Turkije, noch enig Latijns-Amerikaans land, met uitzondering van Cuba en Nicaragua, de twee rebellen tegen de hegemonie van Washington.
Na 1988 volgden meer erkenningen, geleidelijk aan ook in de overige landen van Azië, Afrika – op enkele uitzonderingen na (Kameroen en Eritrea) – en Latijns-Amerika. De eerste NAVO-lidstaten die de Palestijnse staat erkenden – naast Turkije en de Oost-Europese landen die vroeger tot de invloedssfeer van de Sovjet-Unie behoorden en die de staat dus al hadden erkend voordat ze tot het bondgenootschap toetraden – waren IJsland in 2011 en Zweden in 2014. Andere NAVO-lidstaten volgden pas toen de volledige omvang van de genocidale oorlog van Israël in de Gazastrook duidelijk werd. Noorwegen, Spanje en Slovenië erkenden de Palestijnse staat in 2024, gevolgd door de overige Latijns-Amerikaanse landen (het meest recent Mexico dit jaar).
Totdat de Franse president aankondigde dat hij van plan was de Palestijnse staat in september, als de Algemene Vergadering van de VN bijeenkomt, officieel te erkennen, hadden alle machten van het geopolitieke Westen – met name de Verenigde Staten, Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Japan en Australië – dat geweigerd en weigeren ze dat tot op de dag van vandaag nog steeds, onder verschillende voorwendsels, met name het uiterst hypocriete argument dat erkenning de vredesinspanningen zou kunnen belemmeren. [Dit artikel is geschreven voordat Keir Starmer voorwaardelijk aankondigde dat ook het Verenigd Koninkrijk de Palestijnse staat in september zou erkennen, tenzij Israël instemt met een staakt-het-vuren en een verbetering van de situatie in Gaza.]
De publieke druk in die landen neemt toe vanwege de aanhoudende genocide in Gaza, op een moment dat het opzettelijke karakter van de misdaad zijn hoogtepunt heeft bereikt met de huidige georganiseerde uithongering van de bevolking van Gaza. Dat zou kunnen leiden tot nieuwe erkenningen en heeft al geleid tot meer druk op Israël om voedselhulp toe te laten in de Gazastrook.
De waarheid is dat degenen die hebben gewacht tot Israël de huidige gruweldaden voor de ogen van de hele wereld heeft gepleegd alvorens de Palestijnse staat te erkennen, in de eerste plaats proberen hun stilzwijgende medeplichtigheid aan de zionistische bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook gedurende bijna zestig jaar te verdoezelen. Het late besef van de Britse premier en de Duitse bondskanselier en hun besluit om mee te doen aan de hulpactie van Jordanië en de Verenigde Arabische Emiraten om hulpgoederen boven de Gazastrook uit te werpen – door humanitaire hulporganisaties veroordeeld als een zinloze symbolische daad – verdienen alleen maar minachting. Vooral omdat de twee genoemde NAVO-landen na de Verenigde Staten tot de belangrijkste militaire bondgenoten van de zionistische staat behoren.
Het zou duidelijk moeten zijn dat de huidige pogingen om een Palestijnse staat op te richten, zoals de conferentie in New York onder auspiciën van Frankrijk en Saoedi-Arabië, nu een heel andere betekenis hebben dan de erkenning in 1988. In dat jaar waren de politieke omstandigheden voor het Palestijnse volk het gunstigst sinds de Nakba van 1948. De intifada kreeg internationale sympathie en veroorzaakte een ernstige morele crisis binnen de Israëlische samenleving en het leger. Ze creëerde de voorwaarden voor de terugkeer aan de macht van de zionistische Arbeiderspartij en de sluiting van de Oslo-akkoorden met het leiderschap van Arafat. Dat was voorheen ondenkbaar, hoewel de akkoorden zeer onrechtvaardige voorwaarden bevatten die Yasser Arafat uit pure waanideeën accepteerde.
Wat in 1988 en zelfs in 1993 (ondanks dat het Oslo-proces gedoemd was te mislukken) nog een hypothetische maar haalbare staat leek, is nu minder realistisch dan een fata morgana in de woestijn. Misschien is wel een tiende of meer van de bevolking van de Gazastrook vermoord. Minstens 70 procent van de gebouwen in de strook is verwoest, waaronder 84 procent van de gebouwen in het noordelijke deel en 89 procent van de gebouwen in Rafah (volgens een recent geografisch onderzoek van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem).
En over wat voor soort Palestijnse staat hebben ze het dan? De meest optimisten zien een staat die wordt bestuurd volgens het Oslo-kader, dat heeft geleid tot een Palestijnse Autoriteit onder Israëlische voogdij. Daarvan is, naast Gaza, de nominale 'soevereiniteit' beperkt tot minder dan een vijfde van de Westelijke Jordaanoever. Anderen zien een nog beperktere entiteit voor zich, na de herovering door Israël van het grootste deel van de Gazastrook en de uitbreiding van de zionistische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever.
De voorwaarden die in 2006 door de Palestijnse Nationale Consensus (het Gevangenen Document) zijn gesteld als minimale vereisten voor de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat – namelijk de terugtrekking van het Israëlische leger en de kolonisten uit alle Palestijnse gebieden die in 1967 zijn bezet, inclusief Oost-Jeruzalem; de vrijlating van alle Palestijnse gevangenen die door Israël worden vastgehouden; en de erkenning van het recht van Palestijnse vluchtelingen op terugkeer en schadevergoeding – zijn in de vergetelheid geraakt als 'extremistische' eisen, terwijl ze oorspronkelijk waren bedoeld als minimumvoorwaarden, waarmee de bereidheid tot compromis werd uitgedrukt.
De waarheid is dat elke Palestijnse entiteit die deze basisvoorwaarden negeert, niets meer zal zijn dan een nieuwe versie van de enorme openluchtgevangenis waarin de zionistische staat het Palestijnse volk opsluit binnen de grenzen van 1967, met een steeds kleiner wordend geografisch gebied en een bevolking die als gevolg van genocide en etnische zuivering blijft slinken.
Dit artikel stond op Al-Quds al-Arabi. Nederlandse vertaling redactie Grenzeloos.
Gilbert Achcar is emeritus hoogleraar ontwikkelingsstudies en internationale betrekkingen aan SOAS, Universiteit van Londen. Hij is auteur van verschillende boeken waaronder het recente The Gaza Catastrophe. Hij is lid van Anti*Capitalist Resistance, onze zusterorganisatie in Engeland en Wales.
Reactie toevoegen